5 januari 2035

Preekschetsen in de toekomst


We zijn met deze Preekschetsen begonnen in de tijd van de eerste golfoorlog.
Als  een handreiking aan voorgangers in erediensten. Hoofdzakelijk gericht op de verkondiging.
We volgden het Oecumenisch Leesrooster van de Raad van kerken Nederland.
Bijdragen zijn van verschillende hand.
We proberen ons vooral te beperken tot tips om de teksten te sonderen op 'maatschappelijk engagement in het algemeen en Gerechtigheid en Vrede in het bijzonder.' Opdat deze lastige vragen niet uit het vizier raken.

Al een aantal jaren schrijven we geen wekelijkse preekschets meer. Maar het leek ons wel zinvol om wat we habben als naslagwerk algemeen te bewaren. 

Elders op de site ook liturgisch materiaal voor speciale projecten



    19 november 2017

    9e zondag van de herfst 19 november 2017

    Enige gedachten bij Ez.34.11-17, Ps 90, (1Tess.4.9-12), Mat. 25.31-46 voor zondag 19 november 2017 Kerk en Vrede.

    toekomst perspectief in de tussentijd. Wat is de verwachting die het Licht van de wereld, tot op  heden, van zijn volgelingen vraagt.

    Inleiding: volgende week wordt het einde van het kerkelijk jaar gevierd. De advent komt er aan. Wat is de verwachting die het Licht van de wereld van zijn volgelingen vraagt in de tussentijd. De tijd tussen opstanding en terugkomst. Matteüs verwoord dit duidelijk door zijn hele evangelie met praktische voorbeelden, aan het begin in de Bergrede tot aan het eind in Matteüs 25. Navolging is meer dan het gewone, het is licht verspreiden in de duisternis. Dat wil zeggen zelf recht doen of benoemen daar waar onrecht plaats vindt, barmhartig en rechtvaardig leven. Het is onmogelijk om alles zelf te doen. Er zijn ook andere mogelijkheden: gebed, publicatie en samenwerking met ook niet kerkelijke organisaties en andere religies In onze tijd is daarbij ook financiële ondersteuning, ver weg en dichtbij, mogelijk.

     

    Ez.34.11-17

    Ezechiel, een Mensenkind in Babylonië, moet profeteren (593) onder de weggevoerde bovenlaag laag van de Judeese ballingen. Om bij hen de hoop op terugkeer en herstel van Israël levend te houden. Hij doet dit in code vorm, door te spreken over herders.

    context: De slechte herders en de goede herder. Ezechiel moet profeteren over de slechte herders die wel profiteren van datgene wat hun schapen opbrengen, maar ze niet goed verzorgen. De schapen, de Judeërs, zijn daardoor verstrooid en verslonden door wilde dieren. De herders zullen hiervoor gestraft worden.

    11.Het toekomst perspectief.

    God zal zelf naar zijn schapen omzien en ze redden van alle plaatsen waar ze verdreven zijn. Ze uit alle volken bijeenbrengen. En terugbrengen naar Israël met groen land en grazige weiden. God zal ze zelf weiden, naar hen omzien, zoals een herder / koning betaamt.

    Context: 18. Gods rechtspraak tussen schapen en bokken. En 'David', mijn dienaar, zal ik als herder over hen aanstellen.

    Valse herders zijn hier volgens de bijbelse overleveringen de koningen en valse profeten geweest die Juda in het verderf gestort hebben. Zodat de bovenlaag meegevoerd is naar Babylonië. De tekst van Ez. kan eveneens slaan op uitbuiting en het in bezit nemen van de goederen van de deze Judeërs en hun tewerkstelling in Babylonië.

     

    Ps. 90.

    God als toevlucht van geslacht op geslacht, bevestig het werk van onze handen.

    1Tess.4.9-12.

    Context: Paulus: Gedraagt u zo als wij u geleerd hebben.

    Zoals God ons heeft geleerd: hoe u in onderlinge liefde met elkaar moet omgaan. En als voorbeeld voor anderen een eerzaam leven te leiden.

    Mat. 25.31-46.

    Grote context: In de tussentijd tussen de intocht in Jeruzalem (21.1-26.35) en de gang naar de Olijfberg beschrijft Matteüs aller situaties en verhalen die te maken hebben met de eigen houding van mensen en het perspectief op het koninkrijk van de hemel. Matteüs laat zich hierbij inspireren door profetische teksten uit het eerste testament.

    Kleine context: De meisjes met de lampen, het beheren van geld voor de man die op reis ging.

    31. Als de mensenzoon komt in al zijn glorie, zullen alle volken worden samengebracht (Ez). Er zal een scheiding plaats vinden zoals door een herder in een kudde, de schapen rechts, de bokken links. In vers 34 wordt er niet gesproken over de mensenzoon, maar over de koning. Deze zal zeggen dat de schapen door zijn vader gezegend zijn en dat zij uitgenodigd worden deel te hebben/ beërven(NB) aan het koninkrijk dat vanaf de grondlegging van de wereld voor hen bestemd is/ gereed ligt (NB). Waarom? Omdat jullie barmhartigheid en gerechtigheid gedaan hebben aan mij. De rechtvaardigen zullen verbaasd zijn en vragen wanneer dan?  Jezus antwoord: wat jullie deden: omzien naar dorstigen, hongerigen, vreemdelingen,(Jes.58.7) gevangenen, zieken, naakten, armen  heb je aan mij gedaan. Degenen die nagelaten hebben de noden van de onaanzienlijke te zien staat de eeuwige straf te wachten. (Dan.12.2).

    Wat je doet aan een ander om niet, dat doe je aan Mij:

    Tot de kentering in geloofsopvattingen halverwege de tweede helft van de vorige eeuw werd Ps. 90  veelvoudig gebruikt als een oudjaarspsalm. Voordat de klok 12 sloeg werd de psalm, in veel gezinnen, gelezen. Zo werd voor de wens van gelukkig/gezegend nieuwjaar eerst nog stilgestaan bij God als toevlucht voor de zijnen. De daden van God aan de mensen die, gezien in de eeuwigheid als gras zijn, ook al worden de sterken 70 of 80 jaar. Op de toorn van God (11)werd meer nadruk gelegd dan op de volgende verzen. De bede om wijsheid* te leren, de liefde van God en zijn/haar glorie en genade te ervaren, en het werk van onze handen te bevestigen, viel in het niet.

    De psalm eindigt met de bede:”Bevestig het werk van onze handen, het werk van onze handen bevestig dat". Huub Oosterhuis vertaalt vrij in de laatste zin: mijn handen. Het is deze wijsheid, waaruit verantwoordelijkheid voor de naaste volgt,

    *) het begin van alle wijsheid is ontzag voor de Heer om in zijn weg te wandelen.

    Daar gaat het immers om. God heeft geen andere handen dan mijn en onze handen. Dat is waar een christen en de gezamenlijke geloofsgemeenschap zich van bewust zijn. Zij weten van de  mogelijkheid te trachten anders te reageren, meer te doen dan het gewone, licht te doen schijnen daar waar nood is en daar waar onrecht en duistere praktijken plaatsvinden. Deze door benoemen in actie komen aan het licht te brengen. Immers waaraan niets gedaan wordt of over gezwegen wordt, lijkt niet te bestaan.

    Paulus zegt tegen de gemeente van Tesselonica:”Gedraagt u zo als wij u geleerd hebben''.

    Waar het om gaat is een goede herder zijn, lijfelijk of via media, gerechtigheid doen aan allen die daartoe op onze weg komen. Zij die op onze weg komen zijn niet alleen Nederlanders, maar ook Medelanders, en mensen vanuit alle volken.

    Alle volken zijn via de media, tegenwoordig, in ons vizier. Mensen, onrecht en noden die direct op onze weg komen, daartoe kunnen we, als individu of als geloofsgemeenschap, beslissen al of niet actie te ondernemen. Dat hangt af van de gaven en mogelijkheden van een individu of van de gemeenschap.  Het is ook mogelijk andere groeperingen er bij te betrekken of bij andere initiatieven aan te sluiten. Ligt het niet direct in eigen mogelijkheden dan is er altijd de mogelijkheid van gebed en/of financiële steun. In  eigen omgeving zijn vast veel dingen die aangepakt worden vaak misschien in samenwerking met andere kerken, religies of mensen met diverse filosofische achtergronden. Door contacten en het horen van hun verhalen kunnen initiatieven van mensen verder weg, in moeilijke situaties van armoede, oorlog, geweld en uitbuiting ons inspireren tot anders aankijken tegen media verhalen en elkaar, ook over grenzen heen, tot steun zijn.

    U herkent dit misschien wel vanuit uw eigen contacten of in wat u leest. Dit alles in tegenstelling tot het nieuwe regeer akkoord dat premier Rutte introduceerde als: voor de 'gewone' normale Nederlander, Dit is slechts een klein gedeelte van onze bevolking. Nieuwe medelanders, vluchtelingen, kinderpardon en alle niet Nederlandse  mensen lijken hier buiten te vallen bovendien alle genoemden in mat.25 lijken hier buiten te vallen. Ongeacht wat er al geacht wat er al gedaan wordt ligt hier een grote verantwoordelijkheid, voor allen die de voorbeelden van Jezus willen trachten na te volgen. Navolging niet in de zin van bevoogding, maar van ontmoeting van mondige mensen die samen, vanuit alle respect voor elkaar, een weg zoeken hoe recht te doen, zodat mensen met elkaar een leefbaar leven kunnen leiden. Terwijl aan de andere kant de 'slechte herders' aangesproken moeten worden op hun gedrag nationaal en internationaal. Veel dingen lijken onmogelijk, maar samen kunnen velen trachten te doen wat mogelijk lijkt en daarnaast werken aan toekomst perspectief, tussentijds in het rijk van God, dat is en komende is.

    Een paar voorbeelden

    Hierbij een paar voorbeelden hoe Ps. 90 of Matteüs 25, 31-46 mensen inspireert tot oecumene van verschillende volken en geloven.

    Een lied gezongen bij een maandelijkse wake bij het detentiecentrum Kamp Zeist. Waar niet veroordeelde mensen gevangen worden gezet om zich voor te bereiden op uitzetting, alleen omdat ze geen geldige papieren hebben vanuit het land van herkomst. Het regime is er, volgens verhalen van Amnesty en medici, onwaardig. Erger soms dan veroordeelde gevangen. Bijv.Geboeid naarr een ziekenhuis. Veelvuldig visitatie na bezoek etc. Wat verzwegen wordt bestaat niet.

    Wie moet zwijgen, zal gaan spreken (wijs: alle Menschen werden Brüder. Schrijver mij onbekend)

    Wie moet zwijgen zal gaan spreken
    boventoon zal ondergaan.
    Armen zullen breeduit lachen, rijken leeg en schuldig staan.

    Tronen, banken, macht en statie
    grof geschut, dwingelandij
    winst uit nood, eer over lijken
    al die dingen gaan voorbij.

     

    Wie zich met zijn eigen leven
    overgeeft aan deze droom.
    Die zal mensen tegenkomen,
    last en lijden tegenstroom.

    Die zal leven klein, verborgen
    solidair en zonder grens.
    Die zal weerloos ooit nog worden
    mensenbroeder, toekomstmens.

     

    Syrië

    Op 21 maart 2014 werd in Syrië het overwegend christelijke dorp Kessab aangevallen. Kerken en huizen werden verwoest en de bewoners moesten vluchten naar Latakia 60 km verder. In Kessab waren alle kerken apart In Latakia gingen mensen samen werken om leven voor alle vluchtelingen leefbaarder te maken.  Alles leek aanvankelijk hopeloos. Eén van de predikanten verteld: door mijn geloof wist ik de mensen te bemoedigen. Ik las Ps. 90: God is mijn hulp van geslacht op geslacht. Uren waren allen samen. Zo doende er werden vriendschappen gesloten over kerkmuren heen. Zo is er uit deze ellende ook iets goeds voortgekomen. (uit deze ellende is ook iets moois voortgekomen – www.Kerkinactie).

    Irak – Kirkuk – Utrecht

    Bischop Mirkis in Kirkuk – Irak, vangt de laatste jaren meer dan 700 studenten op in Kirkuk. Elders zijn de universiteiten gesloten. De studenten hebben allerlei geloven o.a. moslims, yezidi's, christenen. Zij leven, zonder onderscheid van  geloof, in huizen en moeten het ondanks alle verschillen leren rooien met elkaar. Dat is niet eenvoudig. Maar onderlinge begrippen en acceptatie groeien. (www. Bischip Mirkis).

    Kerk en Vrede heeft al jaren een wederzijds contact met Bischop Mirkis.

    In de stad Utrecht hebben verschillende kerken en moslims het initiatief genomen om van door wat er plaats vindt in Kirkuk van elkaar te leren. (www. Utrecht en Bischop Mirkis, www.Raad van Kerken bischop Mirkis).Er wordt nu gewerkt aan de opbouw van bredere onderlingen contacten met Kirkuk. Ook worden in Utrecht initiatieven ontplooid om niet alleen de kerken en moskeeën bij de contacten te betrekken, maar ook de bevolking.  ( www.Utrecht-Kirkuk ).

    Er is zoveel te zien.

    En ik zag hoogmoed in uw kantoren
    hebzucht in uw banken en verzekeringen
    nijd in uw politieke partijen en verenigingen
    onkuisheid op de wallen van de oude stad
    onmatigheid in uw aankopen
    gramschap in uw relaties
    traagheid in uw reacties op nood

    En ik zag
    ijdelheid u omgeven
    u in gierigheid uw geld oppotten
    jaloezie in uw kopen en handelen
    lust op en in uw media
    vraatzucht in uw dagelijks eten
    woede om wat u niet heeft
    gemakzucht in uw leven stromen.

    En ik zag
    u voedselbanken oprichten
    koken en maaltijden uitdelen|
    kleding en ruilwinkels opzetten
    zieken bezoeken
    exodushuizen in uw wijk verwelkomen
    vreemdelingen en illegalen huisvesten
    hospices tot leven wekken.

    En ik zag
    u het dagelijks brood uitdelen
    mensen te drinken geven
    u uw mantel delen
    ongeneeslijk zieken erbij halen
    gevangenen vergeven
    met illegalen uw huis delen
    het verdriet van de doden delen.

    En ik zag
    in de wereld om me heen
    de wonderen van onze tijd.

    Hub Crijns.

    Héleen Broekema  23 oktober 2017 

     

     

     

     

    5 november 2017

    7e zondag van de herfst 5 november 2017

    Preekschets voor  5 november 2017 Achtste zondag van de herfst 

    Ps 43  Spreuken 9:1-18 Matt 25:1-13

    Het 9e hoofdstuk uit het boek Spreuken wordt gerekend tot de ‘Wijsheidsliederen’ van Salomo. Daar waar in andere gedeelten van het boek de vader zich nogal eens richt tot de zoon, daar voert de dichter hier een vrouwelijke figuur op. “Vrouwe” Wijsheid is hier aan het woord: de opperste wijsheid zelfs (Hebr. chokmOt, lett. ´wijsheden´, meervoudsvorm gebruikt om het belang te benadrukken). De Opperste Wijsheid (SV),  nodigt de toehoorder  uit in het huis wat ze gebouwd heeft en waar voor een ieder een feestmaal bereid wordt. Het huis wordt gesteund door zeven zuilen; zeven is het getal van de volheid. Het lied is ingedeeld in strofen en stanza’s, kleine eenheden (parallellen, tegenstellingen) die met elkaar de literaire vorm bepalen. Vs 1- 6 kunnen gezien worden als introductie, de verzen 7-9 zetten de toon voor het tweede deel, met in vs. 9 een expliciete verwijzing naar de rechtvaardige, de ‘zaddik’ . De Wijsheid nodigt nadrukkelijk haar gasten uit: verspil je energie niet aan dwazen maar richt je tot hen die ontvankelijk zijn voor inzicht.

    Het 10e vers:  “De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand” is hier  kernzin – de daaropvolgende verzen illustreren deze.  “Een zotte vrouw (vs. 13” – SV volgt hier Luther)  is in alle andere versies vertaald met  “Vrouwe Dwaasheid”.  Wijsheid en dwaasheid, bewonderenswaardig en verwerpelijk  worden tegenover elkaar gezet bij wijze van contrast. Kortom, een poëtische lofzang op de wijsheid.

    Ook bij Matheus staan wijsheid en dwaasheid tegenover elkaar. De keuze in deze tekstcombinatie voor de 43e psalm wordt opnieuw begrijpelijk wanneer we het 3e vers als leidraad nemen: Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen.  Daar waar in de Spreuken Vrouwe  Wijsheid en Vrouwe Dwaasheid  in een metafoor worden opgevoerd, daar borduurt Mattheus hier op verder met Jezus’ gelijkenis van de wijze en dwaze maagden, onbevangen meisjes zo u wilt. Lampen zullen ze meenemen, de Naardense Bijbel  geeft hier ‘fakkels’ – toortsen, in olie gedrenkte bundels van vezels. Oudere commentaren (m.n. Ellicott) verwijzen expliciet naar het Joodse bruiloftsritueel waarbij bruid en bruidegom na de echtvereniging in het huis van de bruidegom, bij avond  terugkeren naar het huis van de bruid, vergezeld van bruidsmeisjes met fakkels. Niet bruidegom en bruid staan hier centraal, maar de bruidsmeisjes, de fakkeldragers. “ ’t Zal om onszelve gaan” dichtte Jan Wit ooit in LvK320/Nldb 971

    Suggesties voor de overweging:

    Wonderlijk, dat van oudsher vrouwen in de kerk nooit wat te vertellen hadden, en dat terwijl ze in de Bijbelse literatuur  zo’n prominente plaats innemen, sleutelposities zelfs.

    Het wordt weer vroeg donker – een tekstkeuze die verwijst naar licht en uitzicht  is dan ook begrijpelijk. Zonder licht en uitzicht zijn we slecht af. Een verwijzing naar het komende licht, naar (eeuwig) leven ligt voor de hand. Maar we zullen ook zelf iets moeten bijdragen aan het doorgeven van licht en uitzicht. Het vergt inspanning om fakkels brandende te houden – , niet alleen in de gemeente maar ook elders. Te denken valt aan de plannen van een nieuw aangetreden kabinet: met hoeveel wijsheid zijn die opgesteld? Waar ligt de grens tussen wijsheid en waanwijsheid, of dwaasheid? Dat wat economisch en op korte termijn verstandig lijkt kan desastreus uitpakken in de toekomst. Zonder er een politiek verhaal van te maken, kunnen we best eens wat aandacht besteden aan wijsheid (of wat daarvoor doorgaat) in de wereld.

    We kunnen de kleurrijke teksten benutten om de nadruk te leggen op de poëzie van Israël: In een ‘primitieve’ samenleving is de vertelkunst een van de leermiddelen bij uitstek. Volksliteratuur vindt zijn inspiratie in levenservaring en wordt  overgebracht in kleurrijk taalgebruik – zonder welk de toehoorder al snel afhaakt en niets leert.  Een mooie gelegenheid om ons er van te bedienen en de verbeelding aan het woord te laten.

    Israel Zwi Kanner  (1907-1978) stelde een groot aantal volksverhalen uit de Joodse traditie samen waarvan onderstaand voorbeeld wellicht bruikbaar is voor een gesprek met kinderen: 

    De waarheid liep volledig naakt, zoals ze geboren was, over straat. Niemand wilde haar zijn huis binnen halen. Iedereen die haar tegenkwam, sloeg uit angst voor haar op de vlucht.

    Op een dag liep de waarheid weer in gedachten verzonken over straat. Ze was erg bedroefd en verbitterd. Toen ontmoette ze het sprookje. Het sprookje droeg schitterende veelkleurige kleren, die iedereen prachtig vond. Het sprookje vroeg aan de waarheid: "Vertel me, geëerde vriendin, waarom ben je zo neerslachtig en loop je zo bedroefd op straat rond?"

    De waarheid antwoordde: "Het gaat erg slecht met me. Ik ben oud en bejaard, en niemand wil me kennen."

    Daarop antwoordde het sprookje: "Het is niet omdat je oud bent dat de mensen niet van je houden. Ik ben ook erg oud en hoe ouder ik word, hoe meer mensen van me houden. Luister, ik zal je het geheim van de mensen onthullen: ze willen graag dat iedereen mooi is en zich een beetje verkleedt. Ik zal je net zulke kleren lenen als ikzelf draag en je zult zien dat de mensen dan ook van je houden."

    De waarheid volgde de raad op en maakte zich mooi met de kleren van het sprookje. Sindsdien trekken de waarheid en het sprookje samen op, en de mensen houden van allebei.

    Jacob Kranz (1740-1804)

    Geraadpleegd: http://biblehub.com/commentaries

    Jan Fokkelman/Wim Weren: De Bijbel Literair, Meinema/Pelckmans, Zoetermeer/Kapellen, 2003

    Dr. E.W, Tuinstra, POT/ Spreuken deel 1, Callenbach, Baarn, 1996

    Israel Zwi Kanner: Nieuwe Joodse Volkssprookjes, Elmar, Rijswijk, z.j.

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    1 oktober 2017

    2e zondag van de herfst 1 oktober 2017

    Ezechiël 18: 1- 4 en 25-32 Fil. 2:1-13 Matt. 21: 23-32

    Ezechiël, profeet van de wederopbouw na de Babylonische ballingschap, bedient zich van tegenstellingen om zijn boodschap over te brengen, of liever: de boodschap van JHWH (vgl. vs 1).

    Hij zet in met een kennelijk bekend volksgezegde, dat inhoudt dat de zonden der vaderen direct op de kinderen van invloed is: het falen van de ouders bederft de kinderen. De generatievloek, het ‘zo vader zo zoon’ of het ‘zo moeder zo dochter’ in negatieve zin samengevat. Consequentie van een dergelijke opvatting is dat een mens wordt getekend door zijn voorgeslacht. Zijn we werkelijk zo beschaafd geworden dat we dat nooit doen? Of is Ezechiëls weerlegging van die volkswijsheid (want daar kunnen we het vervolg op zijn citaat wellicht bij onder brengen) allang achterhaald?

    Ook toen wisten ze natuurlijk wel iets van erfelijkheid, puur op ervaring, ook toen waren er families waarbinnen patronen zich herhaalden. Ezechiël lijkt met zijn (zeer krasse) uitspraken zich af te zetten tegen vooroordeel en aannames. Een mens is meer dan zijn afkomst, hij is een individu dat eigen keuzes kan maken. We hebben kennis van goed en kwaad tenslotte. Afkomst en omgeving zijn zo bezien ook geen excuus voor verwerpelijke gewoontepatronen. (vgl. Ex. 34:7)

    Wanneer we de uitspraken van Ezechiël doorwerken, dan zouden we de conclusie kunnen trekken dat kinderen niet alleen niet mogen worden afgerekend op een verwerpelijke levensstijl van de ouders, maar ook dat ze niet naar de ogen gezien zullen worden om voortreffelijke verrichtingen van dezen.

    Wellicht zijn wij mensen, nauwelijks in staat ons te onttrekken aan het effect van iemands afkomst, maar bij de Eeuwige ligt dat duidelijk anders.

    Ezechiël gebruikt gespierde taal, daar is hij een profeet voor; in alledaagse bewoordingen zouden zijn uitspraken nooit uitgestegen zijn boven de waan van de dag en dat is nou juist wat een profeet beoogt: met zijn uitspraken uitstijgen boven de waan van de dag. Zonder dat bereik je de massa niet – een principe dat ook door de commercie gehanteerd wordt. Alleen: Ezechiël probeert er een zinnige inhoud mee over te brengen en daarvan kunnen we de commercie toch nauwelijks betichten.

    Ook in de verzen 26/27 zet hij twee mogelijkheden lijnrecht tegenover elkaar: in de tegenstelling beoogt hij zijn woorden kracht bij te zetten. Nog groter dan de wanhoop over een verachtelijke levenswandel is de vreugde om degene die tot inkeer komt en die, wie weet met hoeveel zelfoverwinning, zich op zijn schreden keert.

    Ook Mattheus gebruikt gespierde taal: ook zijn redevoeringen zijn geredigeerd met oog op gemeentevorming en een groot publiek. We ontmoeten hier Jezus tijdens een dispuut met ambts- en gezagsdragers van de tempel. Die stonden in hoog aanzien bij grote delen van de bevolking en ze zullen door deze vergelijkbaar naar de mond gesproken zijn en ontzien. Jezus spiegelt ze een exempel voor dat mogelijk ook bij hen vaste denkpatronen doorbreekt: de priesters waren immers traditioneel afkomstig uit een select aantal families, de ‘priesterkaste’. Zet Jezus hier kanttekeningen bij de vanzelfsprekendheid hiervan? Omdat je familie dat nou eenmaal is, krijg ook jij de reputatie van rechtschapenheid en geschiktheid in de schoot geworpen? Dat zou op niet veel minder duiden dan een aanzet tot paleisrevolutie. Mattheus zou niet zo lang na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem in het jaar 70 zijn vorm hebben gekregen – ik sluit invloed hiervan niet uit.

    Ook bij Mattheus geldt: de keuze, inkeer en bezinning of opportunisme en verval, ze is aan ons en we zijn zelf verantwoordelijk, zelfs wanneer de omstandigheden de mens maken.

    Geen makkelijke boodschap in een tijd waarin alles zo langzamerhand wordt toegeschreven aan onze genen. Aan de andere kant: vooral onder extreme omstandigheden handelen we niet zelden volslagen anders dan we gewend zijn te doen – juist omdat we, creatieve geesten als dat we toch ook zijn, plotseling tot nieuwe inzichten kunnen komen.

    Paulus ten slotte uit een lofzang op de Christus die als geen ander ons kan brengen tot inzicht en inkeer, te leven in Zijn geest. (Kleine meditatie met doxologie tot slot?)

    Geen gemakkelijke kost in een tijd van hedonisme en determinisme, maar laten we ons best doen. 

    6 augustus 2017

    7e zondag van de zomer 6 augustus 2017

    Neh. 9:15-20    Math 14:13-20

    Inleiding:

    Als historische context voor het boek Nehemia kunnen we de wederopbouw van Jeruzalem zien, na de grote, de Babylonische Ballingschap. Nehemia spreekt in die zin tot ontredderde mensen: enerzijds hebben ze in ballingschap nauwelijks wortel geschoten, anderzijds zijn ze binnen drie generaties teruggekeerd.

    In 539 verslaat de Perzische koning Kores (Cyrus) de Babyloniërs. Hij laat de ballingen uit Juda de keus: blijven of teruggaan naar Jeruzalem. Een deel zal in Babylon blijven of elders in het dan Perzische gebied zijn bestaan opbouwen, een kleine rest keert terug.

    Aan Nehemia de opdracht “de boel bij elkaar te houden”.

    Nehemia wordt verweten dat hij endogamie afdwingt bij de Judeeërs. Aan de andere kant: de geschiedenis laat zien dat er na een fase van oorlog, revolutie of ontreddering vaak de neiging bestaat tot herbronning, tot sluiting van de gelederen en tot nostalgie. Werd in onze Lage Landen na de Napoleontische tijd niet ook een ‘Antirevolutionaire’ partij opgericht?

    Analyse

    Nehemia 9 kan herkend worden als gebed, als belijdenis en schuldbekentenis. Gods genade is in alles herkenbaar, maar het hardnekkig volk (v. 16, 17, 29) hoort niet naar de geboden. Niet horen naar de geboden betekent zoveel als “doen wat goed is in zijn ogen”, oftewel worden als Farao, als Achaz en al die anderen. Zodra men onder het gezag van de overheerser uit is, doet zich een disciplinair en leidersprobleem voor. Een parallel wordt aangevoerd: Nehemia verwijst naar het Gouden Kalf en naar de Exodus, de bevrijding uit slavernij - analoog aan de bevrijding uit ballingschap - naar de onrust en de onzekerheid die blijkbaar standaard optreedt in dergelijke omstandigheden. Maar God heeft hen niet verlaten. De rookkolom en de vuurkolom zijn hen tot gids gebleven, de rots heeft hen gelaafd (vgl Ex, 17) en ook in de woestijn zijn ze niet verhongerd (Ex 16). Bovenal: Gods geest houdt nimmer op hen te leren, op te voeden, zo u wilt.

    “Uw goeden Geest” als leidsman, tot lering of wijsheid – de enige plek in het OT waar deze term ook voorkomt is de 143e Psalm, waar we deze smeekbede vinden “10 Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land”

    In Neh 8:13 lezen we En des anderen daags verzamelden zich de hoofden der vaderen van het ganse volk, de priesters en de Levieten, tot Ezra, den schriftgeleerde, en dat, om verstand te bekomen in de woorden der wet

    ‘Verstand te bekomen’(SV), ‘zij verstonden’ (WB), ‘Inzicht krijgen’ (NB) – ‘begrijpen’ (NBG ’51) – de gebruikte term is hier ū·lə·haś·kîl, hetgeen zoveel betekent als doorgronden, inzicht verwerven, leren. Ezra ‘onderwijst’ het hardnekkige volk. Geen kadaverdiscipline dus, maar onderwijs, uitleg, onderricht en inzicht verschaffen. Geen faraonische toestanden derhalve, maar inzicht in en kennisname van de Thora, als enige richtlijn, leidende tot een menswaardige samenleving.

    Opmerkelijke woorden in een tijd dat er geen vakgebieden bestonden als sociologie en psychologie, de traditie het voornaamste leermiddel was en verhoudingen doorgaans hiërarchisch en gebaseerd op fysiek overwicht.

    Aanwijzingen voor de overdenking.

    Waar in Neh 8: 15 e.v. het ‘hardnekkige volk’ contrasteert met Gods genade, daar is bij Mattheus sprake van een vergelijkbaar contrast tussen de onzekerheden van de “scharen” en Jezus’ vertrouwen op Gods genade. Waar bij Nehemia verwezen wordt naar het brood en de kwakkels in de woestijn, tot verzadiging van allen, daar zien we hier het volk gespijzigd met brood en vis, basisvoedsel tot verzadiging. We kunnen er allerlei symboliek in ziet: brood staat immers voor het graan dat in de aarde sterft (Joh. 12:24) en we kunnen de vis verbinden met het ichthusteken oftewel met Christus die zich aan ons uitdeelt.

    We kunnen misschien ook inspiratie opdoen uit berichtgeving over wat gebeuren kan wanneer wij zelf de voedselproductie explosief gaan opvoeren. Enerzijds zullen wel moeten, wil voedsel voor zoveel mensen bereikbaar en betaalbaar blijven, anderzijds zullen we alert moeten blijven op uitwassen in de voedingsmiddelenindustrie.

    Gods zegen kent geen uitwassen. Die omringt ons ondanks onze stommiteiten en “hardnekkige” oude patronen, machtsspelletjes en tekortkomingen. Gods zegen omringt ons met basisvoorwaarden, de goede schepping, met manna in de woestijn en water uit de rots. Aan ons de opdracht om te leren (vgl. Neh. 8:13) en vooral ook om te leren hoe te delen (Mat. 14:19).


     


     


     


     


     

    30 juli 2017

    6e zondag van de zomer 30 juli 2017

    1 Koningen 3,5-15 (en Johannes 2, 1-12)

    De perikoop over Salomo wordt bij vers 12 afgebroken. Het verdient aanbeveling om toch even door te lezen tot vers 15. Daar lezen we dan: „En Salomon ontwaakt, en zie het was een droom”.

    Dat kleine zinnetje zet de interpretatie van het hele verhaal op zijn kop. En dergelijke kleine zinnetjes worden bijna altijd weggelaten in de brokstukken die het leesrooster vullen. Jammer, heel jammer. Om de reden van dat ene zinnetje heb ik ook dit maal een andere evangelielezing erbij genomen, een die ook zo’n zinnetje heeft.

    We weten inmiddels dat de boeken koningen geschreven werden in de late koningentijd, door hofschrijvers. Stefan Heim heeft ooit op prachtige wijze beschreven hoe het die hofschrijvers verging, in „Der König Davidbericht”, 1972. In dat boek beschrijft hij de worsteling van de hofschrijver met de opdracht: Vertel de geschiedenis van Koning David, als uitverkorene van de Heer. De hofschrijver wil best beschrijven hoe fantastisch David was, hij wil de herinnering best zo veel mogelijk verfraaien, máár… er is ook zoiets als het geheugen van de mensen. Dus als je wilt dat de verfraaide herinnering aankomt, dan moet het geschetste beeld toch enige vorm van geloofwaardigheid hebben. Het boek van Stefan Heim gaat over die discussie tussen hofschrijver en koning Salomon. En als ik me goed herinner, loopt het met de hofschrijver slecht af.

    Stefan Heim schreef dit prachtige boek als persiflage op de perscensuur in de DDR. Het maakt echter subliem helder wat gebeurde in de tijden van het ontstaan van de geschriften. Wie dat helder heeft, beseft hoe belangrijk sommige kleine zinnetjes zijn in deze geschriften.

     

    Die zin dus, „en zie het was een droom”. Laten we er maar van uitgaan dat hooggeplaatste mensen ook grote dromen hebben. En dat wij kleine mensjes ons tegen die dromen maar beter kunnen indekken. Vlak voordat deze droom van Salomon wordt verteld, maakt de heilige schrijver dat ook al helder. Hoofdstuk 2 vertelt, hoe Salomon 5 mannelijke familieleden laat vermoorden. En die serie wordt afgesloten met de zin: „En het koninkrijk was in de hand van Salomon bevestigd”. of, volgens de Statenvertaling: Alzo werd het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomon. Alzo. Na vijf moorden op mannelijke familieleden.

    Die droom van Salomon is ook absoluut niet onschuldig. Hij verlangt niet minder dan de macht van her rechtspreken, dat is de macht over leven en dood in zijn tijd. Volgens Deuteronomium komt de macht van de rechtspraak toe aan de oudsten, en de koning - zo ze al een koning willen - dient onder de wet te staan. Daar werd dus al een scheiding van machten voorgestaan.

    Rond Salomon zijn er nog een paar van die aardige zinnen te vinden. De hofschrijver heeft zijn best gedaan om ons te waarschuwen, zou je kunnen zeggen. Alleen moeten we het wel willen zien. „Klein is de zin en weinigen die hem zien”, zou je kunnen zeggen met een variant om Mattheus. De hofschrijver dus, die ons van die kleine zinnetjes nalaat.

    1 Koningen 6-7 laat ons ook zoiets lezen. 6,38 meldt, dat Salomon het huis des Heren in 7 jaar voltooide. Volgt direct 7,1: Maar over zijn eigen huis bouwde Salomon dertien jaar. Voor liefhebbers geeft de Heilige Schrijver ook de maten.

    het Huis des Heren: zestig el lang, twintig el breed, dertig el hoog ((1 kon, 6,2). hij bouwde namelijk het huis Woud van de Libanon (zijn eigen huis dus) honderd el lang, vijftig el breed, en dertig el hoog. (1 kon, 7, 2)

    Salomon verheerlijkte vooral toch een beetje zichzelf?

    De overweging kan gaan over het verschil tussen dromen van machtige mensen (rijk, dominant, machtig, man) en dromen van kleine mensen. Dromen van mensen die de macht hebben hun dromen door te zetten… Maar de overweging kan ook toewerken naar ons eigen vermogen om kritisch te onderscheiden. Thomas van Aquino sprak over deugden, en gaf aan dat machtige mensen andere deugden behoeven dan kleinen. Machtigen dienen bescheiden te zijn, kleine mensen dienen moedig te zijn. En zo kan ik vragend komen bij mezelf. In welke relaties ben ik de dominante, en wat doe ik dan met mijn dromen, of geef ik ruimte aan de dromen van anderen? En waar ik geen macht heb, heb ik daar moed om vragen te stellen bij dromen?

    Of nog anders: wiens dromen steunen we? Wiens dromen bevragen we kritisch? Voor wiens dromen zijn we op de hoede?

    Als we goed beseffen dat de Heilige Schrijvers ons deze kleine zinnetjes meegeven, staan we als Gods gemeente tevens voor de vraag, of we elkaar helpen om scherp te worden in het vermogen om te onderscheiden.

     

    Met de door mij gekozen tekst van Johannes bij deze Salomontekst, kun je op een andere wijze werken, maar het principe is vergelijkbaar. Johannes meldt in zijn evangelie als een rode draad, welke mensen in Jezus geloven, en welke ophouden te geloven.

    In hoofdstuk 2 wordt gemeld dat de leerlingen geloven. De moeder en broers van Jezus zijn aanwezig, maar ze worden niet als gelovigen vermeld. De moeder dwingt Hem zo ongeveer tot het doen van een wonder, maar dat is dus niet wat Johannes geloven noemt. In hoofdstuk 7 willen zijn broers dat hij wonderen verricht, en dan zegt de Schrijver „want zelfs zijn broers geloofden niet in Hem”. In Zijn wonderen geloven is voor Johannes niet alleen nog niet zoiets als geloven, het is zelfs het tegendeel van geloven.

    In hoofdstuk 16, vers 31-32 zeggen dan de leerlingen: zie, nu geloven wij. En dan zegt Jezus volgens Johannes: Geloof je nu? het uur komt en het is er nu, dat je me alleen zult laten.”

    En dan, als Jezus in Zijn uur gekomen is, aan het kruis gehangen, dan is er Zijn moeder. dan is zij dus gelovige, volgens Johannes.

     

    Wij weten ons kinderen van de God die neerdaalde om slaven te bevrijden. Dat mag ons vrijmoedig maken in het wantrouwen van dromen van machtigen. En in Jezus voetspoor leven, zal ons allereerst brengen bij hen die overleven in uitsluiting, in onderdrukking om wille van het Rijk der Hemelen. De Heilige Schrijvers deden hun best ons in dat spoor te houden. de kleine zinnetjes zijn dan zogezegd de krenten in de pap. - Yosé Höhne-Sparborth

     

    2 juli 2017

    2e zondag van de zomer, 2 juli 2017

    Jer. 29: 1-4-14. Mat 10: 34-42

    “En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben.” (Jer. 29:7 SV)

    Voor deze zondag lijken een Oudtestamentische en een Nieuwtestamentische tekst elkaar tegen te spreken.

    In het 29e hoofdstuk van Jeremia vinden we de brief die door hem zou zijn gedicteerd aan Baruch, zijn schrijver. Tijd van handeling: laatste deel zesde eeuw vóór het begin van onze jaartelling. Een groot deel van de Joodse bevolking van het Zuidrijk is weggevoerd door Nebukadnezar en de tempel en Jeruzalem zijn met de grond gelijk gemaakt. Jeremia lijkt hier in te gaan tegen het verlangen naar terugkeer, maar dat valt te bezien: de Godsspraak die is verwerkt in het 10e vers spoort aan tot geduld: er zal een generatie overheen gaan voordat de eerste aanzet tot herstel plaatsvindt. Het 11e vers vermeldt de toezegging dat de beproeving niet tevergeefs zal zijn. Ondertussen is er nog een oproep en wel, (letterlijk) in vredesnaam niet bij de pakken neer te zitten, de draad op te nemen en het leven te leven zoals het bedoeld is. Er zou te verwijzen zijn naar het gegeven dat het koninkrijk, het wereldlijk koninkrijk weliswaar teloor is gegaan maar dat de gemeenschap altijd een koning zal hebben: JHWH - en dat Zijn wetten overal ter wereld kunnen worden nageleefd.

    Precies honderd jaar geleden schreef Stefan Zweig zijn toneelstuk Jeremias, een soort enscenering van de positie die het Joodse volk tijdens de Grote Ballingschap heeft ingenomen. Was het een nederlaag te worden weggevoerd? Of zou uiteindelijk de betekenis van de aanwezigheid van de Joodse gemeenschap in Babel een heel andere zijn dan alleen een fysieke verplaatsing met uitsluitend traumatische gevolgen? Zweig beraadt zich in dit stuk op zijn Joodse wortels en identiteit.

    John H. Yoder komt zestig jaar later tot de conclusie dat de betekenis van de ballingschap wel eens een heel positieve zou kunnen zijn: juist in Babel is de eerste aanzet gegeven tot de ontwikkeling van de schiftcultuur en de verspreiding ervan. Tegen de stroom in, zou men kunnen concluderen.

    Matth 10 bevat één van de grote redevoeringen die de kern vormen van het Mattheusevangelie.

    In de verzen 34 e.v. vinden we ook een oproep om tegen de stroom in te roeien: denk niet dat het gemakkelijk is om te kiezen voor een leven in Zijn geest. Niet alleen anno nu roept de keuze daarvoor weerstand op (‘geloven doe je maar achter de voordeur’); het is nooit anders geweest. In de tijd dat de kerk een vanzelfsprekende plaats in de samenleving had, was de wereld niet veel vreedzamer dan nu. Er is veel onrecht geschied onder het motto “Dieu le veult”. Dat neemt niet weg dat de raison d’être van de kerk of gemeente gelegen is in het vredesgetuigenis. Talloos zijn ook de individuen die boven zichzelf uitstegen omdat ze die keuze hadden gemaakt en ernaar handelden. Helaas roept - gek genoeg - onbaatzuchtige naastenliefde weerstand en wantrouwen op, anders gezegd: wie Christus wil volgen komt nogal eens op Golgotha terecht.

    Vs. 34 benadrukt een ander aspect van de consequenties van de “Imitatio Christi”. De parallelformuleringen van de verzen 37 en 38 moeten niet verkeerd worden verstaan: het gaat niet om óf-óf, maar om een manier waarop: wie de naaste liefheeft zonder meer doet iets, maar wie zijn naaste liefheeft in Zijn geest doet veel meer. Misschien is een verwijzing naar Math. 18:21-22 niet verkeerd . Tenslotte is bloedverwantschap en sentiment geen garantie voor recht en naastenliefde, getuige vele familievetes en ander ongenoegen. De logica van vs. 39 kan gezien worden als een oproep tot vernieuwing: wie krampachtig vast houdt aan een “zo doen we het nou eenmaal” leert nooit iets van meerdere kanten te bekijken ; het kan ons doen afstompen in een leven van gemiste kansen. De verzen 41-42 vormen het slot van deze “uitzendingsrede”.

    Liedsuggestie: Ld 823, 941, 313


     

    Geraadpleegd:

    POT/ Selms, dr. A. van, Jeremia deel II, Callenbach, Nijkerk, 1974

    http://www.gutenberg.org/files/40564/40564-h/40564-h.htm

    https://books.google.nl/books?id=7shypLnPOMoC&pg=PR4&dq=%22For+the+nations%22++John+H+Yoder&hl=nl&sa=X&redir_esc=y#v=onepage&q=65&f=false

    PNT/ Nielsen, dr. J.T, Het Evangelie naar Mattheus I, Callenbach Nijkerk, 5e druk 1993.  

    27 juni 2017

    pinksteren 4 juni 2017

    Preekschets voor 4 Juni 2017, Pinksteren. 

    Ez 11: 17:20 Hand. 2: 1-24. Joh 14:23-29

    Naast de beroemde tekst uit de Handelingen der Apostelen  (Hand 2:1-24) staan er op het oecumenisch leesrooster twee teksten  die op nadrukkelijke wijze de gebroken wereld weergeven.  De eerste (Ez. 11:17-24) is ontleend aan de verscheurde realiteit van de grote ballingschap: enerzijds is er de dagelijkse werkelijkheid “in den vreemde”, waar de ballingen zich als tweederangs burgers zich staande moeten houden , anderzijds is daar de heimwee naar het land, goed en wijd (Ex: 3:8), zoals beloofd aan de Joodse families   die uittogen uit Egypte, uit slavernij.

    Bij aanvang van het elfde hoofdstuk van Ezechiël  gewaagt deze van zijn ‘verheffing’ boven de waan van de dag; aan Ezechiël werd op grond van het beeld wat hij daarbij oproept het vermogen tot bilocatie toegekend.  Ook in onze onttoverde wereld tijd kunnen we vaststellen dat hij kans zag zich te verheffen boven de waan van de dag en dat hij in twee werelden leefde.  Ez 11:1 zou kunnen worden begrepen als    “een wind  droeg me”  - het “ruach”- de adem Gods  -  en dan is het meteen Pinksteren.

    De tekst van Ezechiël is ontstaan na de verwoesting van Jeruzalem; de tekst uit het Johannesevangelie is ontstaan na de verwoesting van de Tweede Tempel.   De gebrokenheid wordt daarmee nog eens onderstreept.

    Ezechiël 11:16 heft aan met een opdracht voor E., vehikel van de Godsspraak te zijn. V. 17 gaat daarop door.

    V.17:  houdt een belofte in: al zijn de nakomelingen van Abraham en Sarah verdeeld onder de volken, verlaten heeft JHWH ze niet; ook het beloofde land blijft het land van belofte.

    V.18: En ZIJ zullen daarhenen komen -  d.w.z. de ballingen zullen komen in het land Israël, maar het ware overblijfsel van Israël zal niet te vinden zijn in Jeruzalem, maar in Babel  (vgl. Jer. 29:1 e.v.).  Uiteindelijk zal de  gemeenschap in Babel een bestemming vinden, resulterend in de nog altijd gezaghebbende Babylonische Talmoed. Geen gemeenschap dus die zich beroept op hout en steen, maar op woord en geschrift. De teruggekeerden zullen het land reinigen van afgoderij en uitwassen.

    V.19b  - Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven; hier wordt  een ommekeer voorzegd van een omslag in denken en handelen, niet naar de dode letter maar naar de geest die leven geeft (vgl. 2 Kor 3:6, Heb. 3:3)

    V. 20b: en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn – hierin kunnen we een verwijzing zien naar een ‘nieuw verbond’  en een nieuw leven.

     

    Joh.  14: 23b: Ook uit deze regels spreekt de verbondsgedachte; bij Johannes stelt Jezus zich uitdrukkelijk als ‘tussenbeide’  op, als ‘middelaar’ om maar een traditionele term te gebruiken.     

    V. 26: Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.  De Trooster, de Παράκλητος  en de  Πνεύμα το Άγιον, de Heilige Geest vallen hier samen – daar zullen we het mee moeten doen, interpretatie is alles wat ons te doen staat , aangeraakt door het vuur van Pinksteren.

     

    Aanwijzingen voor de overdenking:

    26 Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.

    Pinksteren – de vijftigste dag na de opstanding;  voor menig gewaardeerd medemens een soort blinde vlek op de kaart van feestdagen door het jaar.   Een feest  waarvan de aanleiding over ons wordt uitgestort, maar waar weinig of geen uiterlijke aandacht aan wordt besteed  door de wereld om ons heen. Gelukkig maar – dan raakt het niet ondergesneeuwd door handelsbelangen.   De flora die uitbundig bloeiend in de bermen wordt aangeduid met de naam Pinksterbloem is wel lief en wordt gelukkig nog steeds niet op commerciële basis geteeld.

    Pinksterfeest heeft – net als Pasen -  een joods equivalent, het Sjavoeot   of Wekenfeest  (feestrol: Ruth) - we zouden wat aandacht kunnen besteden aan het gegeven dat we voortdurend onderweg zijn, gelijk eerst Naomi en Elimelech  met hun zonen en later  Naomi/Mara  en Ruth. Ballingschap en (r)emigratie  zijn van alle tijden.  In onrust en onrecht is de wereld weinig opgeschoten sinds de wereld van het Oude en Nieuwe Testament – we beschikken hooguit over andere technische middelen.  Nog steeds zijn er ballingen die proberen hun nieuwe bestaan  zo goed mogelijk in te vullen, een plek te vinden en hun leven vorm te geven.  Wie ervaart nooit een gevoel van ballingschap, buitengesloten worden of ontheemd te zijn?  Hoe houden we het vol, is geestkracht daarbij een bepalende factor?

    De teksten overziend valt op dat de “wind” of  Geest Gods  centraal staat in de tekstkeuze.  Zonder die Geest Gods is volgens het Goede Boek niets mogelijk, blijft alles zoals het is, woest en ledig (vgl Gen.1:2)  Aangeraakt worden door Gods Geest kan voor ons mensen ook gezien worden als keuze (we kunnen ons tenslotte al dan niet aan laten raken) omdat we vrije mensen zijn; de omgeving kan het wel ons mogelijk maken ons te laten aanraken, door voorbeeld of opvoeding.  Die keuze is uiteindelijk aan  ons  zelf- (Joh. 14:24) – Jezus lijkt hier niet te oordelen maar veeleer die keuze aan te roeren en  vóór te leggen.  Op het moment dat hij deze woorden tot zijn leerlingen spreekt  is Hij hun leraar geweest,  straks  zullen ze, puttend uit Zijn voorbeeld, op eigen benen verder moeten. Alleen de Trooster, de Geest des Heeren zal hen kunnen helpen.  Kunnen ze dat?  Ze zullen wel moeten, elke dag weer, opboksend tegen de natuurlijke drang van zelfbehoud en eigenbelang, elk mens eigen.  Uiteindelijk konden ze niet anders, toen de geest (des Heeren)  over ze vaardig werd.

    Wat schieten we er mee op wanneer we die keuze maken? Of wanneer we het gevoel hebben niet anders te kunnen?  En kunnen we in de ander  én in onszelf  onderscheiden waar  naastenliefde overgaat in fanatisme of alleen een sausje is dat eigenbelang onzichtbaar moet maken?  Geestkracht, ons laten inspireren zo u wilt, speelt een grote rol  in het overleven, in het creëren van  mogelijkheden, in de wil er met elkaar iets van te maken.  Geestkracht en creativiteit , of, anders gezegd, scheppingsdrang, liggen dicht naast elkaar (alweer: Gen. 1:2). Een (zelf)kritische geest is  óók onontbeerlijk.  En die Trooster? Hebben we die bij onze onbeholpen pogingen er met elkaar iets van te maken, niet ook  en juist hard nodig? 

    23 april 2017

    Beloken Pasen 23 april 2017

    ZONDAG 23 APRIL BELOKEN PASEN

    Genesis 8 vers 6-16 Psalm 16 Johannes 20, résumé en 19-23  I Petrus 1 vers 3-9

    De veertigdagentijd is voorbij, de luiken van Pasen gaan dicht. Een vreemde etymologie die iets met be-luiken en ont-luiken te maken heeft. “Gij laat mijn ziel niet over aan de hel” zegt de dichter van Psalm 16 die wij vandaag ook op het rooster tegenkomen. Het pad naar het leven ligt weer open. Maria van Magdala heeft de Heer met eigen ogen gezien, haar beminde Jezus. Het licht kwam terug op haar pad.

    In Genesis gaat het over Noach, zijn vrouw, zijn zonen en de vrouwen van zijn zonen. Zo was nu eenmaal de hiërarchie in oude tijden. Dit verhaal wordt in allerlei versies over de hele wereld verteld, en we weten nu dat er heel wat grote vloedgolven over de aarde zijn gegaan, zeker in het Midden-Oosten. Hier gaat het over een God die het niet kan aanzien als alles en iedereen door het water wordt meegesleurd. Hij raadt Noach aan een veilige ark te bouwen voor mens en dier, en zo kan er een rest overleven na de watersnood. De mens wordt niet overgelaten aan de hel die over hem komt, en ook niet aan de hel die hij zelf creëert. Het zijn mooie verhalen, en het zijn moeilijke verhalen. Want wie zijn wij in al dat natuurgeweld? Er zijn machten in de hemel, en anders wel in de aarde, in dieren en mensen die vernietigend kunnen worden. JHVH voelt uiteindelijk het leed in zijn eigen lichaam en laat mens en wereld opnieuw beginnen. Ik kan me heel goed voorstellen dat de moderne westerling vaak zegt: “Dan maar geen God!” of hebben wij soms geen moeite met een God die handelt en dan later weer spijt krijgt als er te veel leed uit volgt? Dit is gevoelige materie, maar we kunnen er niet omheen. Met een beroep op het beeld van God dat we hier tegenkomen zijn al heel wat mensen en volkeren aan de haal gegaan: we spelen maar al te graag zelf voor een godje dat naar willekeur mag handelen.

    En dan worden we telkens opnieuw geraakt door Jezus die mensen confronteert met de goedheid van God zoals hij die zelf belichaamt. Hij troost, geneest en spreekt woorden die door de eeuwen hun kracht niet verliezen – of je nu gelooft dat hij God is, of de nieuwe mens. Hij kan ‘toornig’ worden om dienst aan ongenadige machten, om wreedheid, hij verzamelt rafelig volk om zich heen. Hij ontfermt zich over zwakke mensen en neemt tenslotte de woede op zich die daaruit voortkomt. Want, met of zonder geloof in de God van Israël, sluiten machthebbers een verbond om hem uit de weg te ruimen. En zo zijn ze het er even over eens dat het zó niet kan als Jezus het vertoont. Hij vlucht niet maar hij lijdt vrijwillig, en daar hebben ze niet van terug. Wij wel?

    Jezus werd gemarteld en omgebracht - niet als eerste en niet als laatste. Het verhaal eindigt daar niet mee: zijn volgeling Maria van Magdala gaat op de eerste dag na de Sabbat, de rustdag naar het graf en vindt daar alleen nog de windsels. Ook andere leerlingen komen om dat te zien. Ze menen dat hij is weggehaald door een onverlaat. Maria ontmoet engelen die haar vragen waarom ze zo huilt, en dan staat ineens Jezus zelf achter haar. Hij roept haar naam: Mirjam, Maria! “Mijn kleine rabbi…”stamelt ze. “Ik heb de Heer gezien!” vertelt ze aan de leerlingen die nu ook komen opdagen. Later op de dag, als ze allemaal angstig bij elkaar zijn met alle deuren dicht, dan is Hij ineens in hun midden, met een vredesgroet. Hij zegt: “Ik zend jullie uit, zoals de Vader mij zelf uitzond!” Hij spreekt van een volmacht die van hem op hen zal overgaan.

    Dit is een verhaal dat in het Engels een “stunning story” zou heten. In het Nederlands weet ik geen betere woorden. Het beweegt je, maar wat moeten wij ervan maken?

    Misschien dit: de zwakke krachten winnen aan het einde. Want Jezus is nooit meer weggeweest en hij heeft over de hele wereld mensen geïnspireerd. Omdat in Hem zichtbaar wordt wat de zwakke krachten tot stand kunnen brengen. Er is een mogelijkheid voor ons als mensen om niet telkens weer onheil over ons zelf en onze kinderen uit te roepen. Het omarmen van mensen die niet tellen is nu juist de weg naar samenleven op aarde. En zo kunnen we nog veel meer invullen. Ook in onze tijd hebben mensen dat gedaan, en zijn daarbij net als Jezus tot het uiterste gegaan. Hij belichaamt de kracht van God die in zwakheid volbracht wordt. Gemakkelijker wordt het daardoor niet. Maar zoals Elia na een moordpartij op priesters van de God Baal in de stilte JHVH ontmoette en daarmee iets van de zachte krachten begon te begrijpen, zo was er ook voor Jezus’ leerlingen een beslissend moment.

    Aan onze lezingen is nog de eerste Petrusbrief toegevoegd. Voor hem wordt de geschiedenis van Jezus het verhaal van een levende hoop. Hij noemt dat “de redding van de zielen”. Jezus blijft tastbaar nabij.

    Zo kenden vredestichters de eeuwen door die ontmoeting met de God van de zwakke krachten. En dat bezielde ze met moed. Zo’n beslissend moment kunnen ook wij misschien meemaken, en dat zal dan ook onze voeten zetten op de weg van de vrede.

    Janna F. Postma

     


     


     


     

    19 maart 2017

    3e zondag van de veertigdagentijd 19 maart 2017

    Enige gedachten bij: Ex.17.1-17, Ps 95, 1Kor.10,1-13, Joh.4.5-26(42). Voor zondag 19 maart 2017, derde zondag in de 40 dagen tijd. Kerk en Vrede.

    Leader: Jezus(Judeër) heeft, een evenwichtige dialoog met een Samaritaanse vrouw. Joden minachten Samaritanen. Als de vrouw haar stads genoten gaat roepen, staat er: een mens en haar mensen.  Door contacten kunnen grenzen van vooronderstellingen en tegenstellingen wegvallen. Ook vandaag.

    Inleiding:

    Bij het lezen van Johannes evangelie is het raadzaam niet alleen de verhalen te her vertellen. Maar  te realiseren dat Johannes gecodeerd schrijft over de opdracht van Jezus, zijn messiaanse programma, dat zichtbaar moet worden voor de Johanitische gemeenten. Dit doet Johannes, aan het eind van de eerste eeuw door o.a. te vertellen over Jezus tekenen en werken (1-11,54). Jeruzalem is gevallen, veel navolgers van Jezus zijn gevlucht, o.a. naar Samaria en Syrië. De gemeenten waar Johannes contact mee heeft. Deze volgelingen vroegen zich af: was deze Jezus werkelijk de messias

    Veel verhalen over individuele mensen kunnen gecodeerd gelezen worden als voorbeelden van worstelingen en vragen in deze nieuwe groeperingen in de gewelddadige politieke situatie van de onderdrukking door de Romeinen. Teksten, symbolen, uit het eerste testament spelen een rol om aan te geven dat Jezus het vlees geworden woord van God is. Messiaanse gemeenten ontstaan door 'omwegen'. Het doel is dat alle volken er deel vanuit zullen maken. Zoals reeds in de profeten aangeduid als Gods plan.

    Johannes vertelt een verhaal over een ontmoeting van Jezus met een Samaritaanse vrouw in Sichar bij de oude waterput van Jacob/Jozef.  En de reactie van de bewoners op haar verhaal.

    Een van deze gemeenten bevindt zich in Samaria (Hand.8). Judeërs/ joden minachten de Samaritanen, omdat zij niet op de juiste manier God zouden dienen. Voor de Samaritanen staat alleen de Tora centraal. Na de, in die tijd  ongebruikelijke, dialoog van Jezus (Jood) met een Samaritaanse vrouw vallen, na haar inzicht dat Jezus de beloofde Messias is de scheidingslijnen tussen deze volken weg. De vrouw spreekt tegen haar mensen van de mens Jezus.

     

    Ex.17.1-17.

    Context: Deel uitmaken, bewust zijn van Gods plan: bevrijd worden van onderdrukkende goden en machten, gedachten, en vooroordelen. Dat vindt niet zomaar plaats. Het verhaal van de uittocht uit Egypte is een startpunt.  Bevrijding uit dit slavenhuis wil niet zeggen dat het volk op slag veranderd is. Rondom de Horeb/ Sinaï worden allerlei gebeurtenissen beschreven: Gemor over honger--> manna, oorlog, dorst. Allerlei verhalen rondom de gave van de 10 woorden van bevrijding en de oproep/opdracht deze in praktijk te brengen.

    1-17. In de pleisterplaats Refidim wordt gemurmureerd vanwege dorst.  Het volk maakt Mozes verwijten, en vraagt zich af: of de Heer in hun midden is of niet. Dit is een vraag die gesteld wordt aan goden. Zo wordt God op de proef gesteld. Mozes noemt deze plaats Massa en Meriba, vanwege de verwijten aan hem en het op de proef stellen van God. Het volk moest nog leren dat zij zelf verantwoordelijk is voor eigen handelen. De dorst kan dan ook opgevat worden als de dorst naar  God en gerechtigheid doen. Mozes krijgt de opdracht, met de oudsten uit het volk, voorop te gaan en op aanwijzing van God op een rots te slaan. Toen stroomde er levend water uit (direct vanuit de aarde, als oerelement van de schepping). Bronnen van levend water zijn in het eerste testament een symbool voor God (Jer.2.13) en van navolging van de Tora. Navolging is als boom, gepland in stromend water (Ps.1).

    Ps 95.

    God als rots en redding.  Luister vandaag naar zijn stem. Wees niet koppig als bij Meriba en Massa.

    1Kor.10,1-13,

    God als geestelijke rots, is overgegaan op Christus. Dus rebelleer niet tegen wat verboden is, omdat het afgoden dienst is. En zodanig God verzoeken, zoals het volk in de woestijn.

    Joh.4.5-26(42).

    Context: Na de bruiloft te Kana, (een bruiloft waar reinigingswatervaten en rol spelen en de bruid ontbreekt!) gaat Jezus naar Jeruzalem om Pesach te vieren. Er volgen aanduidingen, wat het betekend om te leven als beeld van God, in navolging van Jezus. Zoals in het gesprek met Nicodemus,: geboren worden uit  water en geest (3.5). Als de grond Jezus te heet onder de voeten wordt, gaat hij terug naar Galilea. Na twee dagen verblijf in Sichar, gaat Jezus verder naar Galilea. In Kana verricht hij zijn tweede teken: de genezing van de zoon van een hoveling uit Kafernaüm.

    5-26(42).

    In het verhaal van de Samaritaanse vrouw klinkt heel de geschiedenis van het 10 stammen rijk mee.

    Nadat Assyrië velen uit het tien stammenrijk in ballingschap weggevoerd had, plaatste de koning van Assur andere mensen, uit vijf verschillende steden daarin terug. Zij namen alle vijf hun eigen goden mee (2kon.17.24-41). De overgebleven bewoners mochten hun eigen God behouden. Er heerste in Samaria, vanaf die dag, een mix van godsdienstigheid. In Ez. 37 wordt met een ritueel, voor geheel Israël een messiaanse toekomst voorzegd. In 108 v. chr. werd het heiligdom van de God van Israël verwoest. Onder Romeins beheer was een nieuw heiligdom gebouwd, waarin de keizer vereerd moest worden.

    4. Het valt op Jezus 'moest'. Moest geeft een zekere noodzaak aan. Moest (10x in Joh. ev.) duidt op de weg die Jezus moest gaan, tot het uur gekomen zou zijn, waarop de mensenzoon verhoogd moest worden.

    5-6. Jezus verlaat Jeruzalem en maakt op weg naar Galilea geen omweg. Vele Judeërs liepen van wegge hun vooroordeel over de Samaritanen, als een volk dat God niet op de juiste wijze diende, veelal 50 km om. Jezus gaat door Samaria. Het hele volk Israël is Gods volk, 10 en 2 stammen, daarom maakt Jezus geen omweg. In Sichar rust Jezus, rond het middag uur,  uit bij een historische waterput, de Jacobs bron  aan de voet van de berg Geraziem. Deze waterput had Jacob al aan zijn zoon Jozef  gegeven. Op deze berg wordt de God van Israël gediend.  Jezus was alleen. Zijn leerlingen waren naar de stad om eten te kopen (8).

    In het begin van dit verhaal zijn er verwijzingen naar Genesis: Samaria, Sichar, de bron van Jakob, Jozef. De vrouw bij de bron in Johannes, doet denken aan verhalen over Rebekka (gen 24) en Rachel (de moeder van Jozef (= Samaria. Gen. 29).  Hagar (Gen 16.10,21,19) ( Mozes Ex.2.15 ontmoeting met de 7 dochters van Reüel. Exodus 17, rondom de berg Sinaï, Massa en Meriba. 

    7-12 Jezus is vermoeid en gaat, rond het middaguur, bij de bron zitten. Dan komt er een vrouw, alleen, om water te putten. Jezus spreekt de vrouw aan. Twee ongewone zaken: een Samaritaanse vrouw, die alleen komt putten op het heetst van de dag en aangesproken wordt door een joodse man.

    – Waarom alleen. Daarvoor zijn heel veel speculaties bedacht. In het verhaal lijkt het niet te gaan om een uitgestoten vrouw, die apart water gaat putten. Het accent ligt op een vruchtbare ontmoeting waarbij de toekomst wordt opengebroken.  De toekomst wordt in het eerste testament vaak opengebroken bij een bron.

    – Een andere verwijzing: Het verbond met God/de Ene wordt vaak voorgesteld als het huwelijk tussen man en vrouw. (Hooglied, klaagliederen). Als dat verbond geschonden wordt spreekt men van hoereren van de vrouw. De vereerde god wordt een Baäl/afgod (mal.2.11,  Herstel:Hos 2.18-19).

    – In het Johannes evangelie wordt over vrouwen verteld, die op een gelijkwaardige met Jezus spreken.

    – De vrouw (13x), die Jezus ontmoet heeft geen naam, zoals ook zijn moeder als vrouw en andere vrouwen worden aangeduid (22x).

    Jezus vraagt de vrouw om water. De vrouw reageert verbaasd: 'Hoe kunt u, als Jood, mij, een Samaritaanse, om drinken vragen. Joden gaan immers niet met Samaritanen om!

    – Als we het gesprek van Jezus met deze Samaritaanse vrouw in schema zouden weergeven zouden we zien dat hier een gelijkwaardige dialoog plaatsvindt.

    Jezus wijst haar op de gave van God en bedekt op zijn missie met de verwijzing dat zij hem zou kunnen vragen om levend water.

    – De vrager wordt gever!

    De vrouw begrijpt deze verwijzing (nog) niet. Zij stelt een materiële vraag. U heeft geen emmer en kunt u meer dan Jakob, onze voorvader. Hij en zijn vee hebben hier nog uitgedronken.

    13-15 Jezus stipt aan dat het water uit de punt weer dorst geeft. Maar  dat het levend water dat hij kan bieden anders werkt. De vrouw vraagt om dit water, omdat zij dan niet meer hoeft te komen putten.

    16-19 Jezus gaat ook hier niet op in. Hij stelt, 'deze dochter van Jacob', (geen 'hoer' !) een andere, een gewetens vraag: wie dien je, wie is heerser. Het wordt een politiek gesprek. Dat gaat over haar denken en handelen. Jezus, zet haar daardoor waarschijnlijk op een tweede spoor van de dubbel bodem in dit gesprek: Levend water, de 6e man is uw man niet. (de romeinse keizer die vereerd moest worden).

    De 6e man denken aan een verwijzing naar verbond met God/de Ene dat vaak wordt voorgesteld als het huwelijk tussen man en vrouw. (Hooglied, klaagliederen). Als dat verbond geschonden wordt spreekt men van hoereren van de vrouw. De vereerde god wordt een Baäl/afgod (mal.2.11,  Herstel:Hos 2.18-19).

    20 – 26

    De  vrouw gaat Jezus zien als een profeet. Een Profeet, die verwijst naar de geschiedenis van de toekomst belofte voor heel Israël. De vrouw gaat nog even door op het verschil tussen Samaria en Judea en de wijze van de juiste aanbidding. Jezus geeft aan dat  er een tijd/een uur komt dat dit zal veranderen (→ het uur van verheerlijking). Aanbidden zal worden: God aanbidden in Geest/ geestkracht en Waarheid / waarachtigheid (een duidelijk na paasschaal verhaal. zie Hand.8). De plaats doet er dan niet meer toe. De vrouw zegt dat zij dat weet, als de messias zal komen. Jezus zegt dat ben ik. (Ex 3, Ik ben die ik ben klinkt hier mee, zie verderop de invulling met de Ik ben woorden). Een doorbraak ervaring bij de vrouw.

    27- 30. Als de leerlingen terugkomen loopt zij weg en laat haar kruik staan. Zij gaat terug naar  de stad en zegt tegen de mensen daar, kom mee, er is iemand (NBV)/een mens (St.V./NB) die alles van mij weet, zou dat niet de messias zijn? Toen gingen de mensen de stad uit naar hem toe.

    – Opmerkelijk is hier, dat er niet meer gesproken wordt over een Jood/ Judeër of over Samaritanen. Maar over een mens en mensen. In de messiaanse gemeente vallen scheidingen van afkomst weg.

    39 – 42. De mensen gaan naar Jezus en vragen hem te blijven. Zij komen in eerste instantie naar Jezus vanuit de getuigenis van de vrouw.  Later belijden ze hun geloof, omdat ze Jezus zelf gehoord  en ervaren hebben. Jezus blijft twee dagen in Sichar.

    31-38. De leerlingen zijn verbaast dat Jezus met een vrouw spreekt, maar zeggen niets. (De vrouw sprak haar verbazing uit!) Deze verzen zijn een gesprek tussen Jezus en zijn leerlingen. Ten Eerste, wat Jezus tot voedsel is: de wil te doen van hem die mij gezonden heeft. Jezus roeping is als zijn voedsel. Ten tweede over de oogst (de tora en de profeten) die binnengehaald kan worden, terwijl zij niet gezaaid hebben. Het bewust worden van de vrouw, over wat zij overgeleverd gekregen had  over komst van de messias en de reactie van de bewoners van Sichar getuigen hiervan.

    Context.

    Jezus reist dan door naar Galilea. In Kana wordt een tweede teken beschreven: de genezing van de zoon van de hoveling uit Kafernaüm

    Kunnen mensen bronnen van 'levend water' zijn voor elkaar?

    Al met al lijkt het verhaal van de ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse vrouw een duidelijk gecodeerd verhaal om de Johannes gemeenten, aan het eind van de eerste eeuw in een tijd van onzekerheid en vervolgingen te bemoedigen. Zowel de leerlingen als de inwoners van Sichar krijgen inzichten in de messiaanse tijd.

    Het gaat over de ontdekkingen en vragen van volgelingen, die iets trachten te begrijpen van Jezus voorbeeld, tot in het uiterste van de dood. Hij schenkt voorbeelden van een wereldorde, die anders zou kunnen functioneren dan de wereldorde van de Romeinen. Een wereld orde waar mensen tot mens zijn voor elkaar.  'Levend water' komt voort uit Gods  bron. Een geschenk, om Gods volk, zijn gemeente weer te bepalen bij het doel van de Schepping: beeld van God te zijn, bevrijde mensen in eigen context.

    Tempel, synagoge of kerkgebouw zijn niet van belang. Het gaat om bidden en handelen vanuit Geestkracht  en Waarachtigheid, zoals Jezus daarin  is voorgegaan. Dit geldt eveneens voor onszelf en geloofsgemeenschappen.

    – Het is de derde zondag van de 40 dagen tijd. Een tijd van bezinning op wegen hoe zelf en als gemeente om te gaan met wat we lezen in de Schrift en de krant en wat te horen en te zien is om ons heen. Het is vaak niet te overzien.  Er reizen vragen: hoe te reageren op de uitslag van de verkiezingen van afgelopen week en de gehele toestand in de wereld. De politieke situatie in ons land en in de wereld. Deze is evenals die voor de mensen van Samaria, een bron van scheiding. Kan deze, mede met onze inzet, opgeheven worden? De macht van de machthebbers maakt vaak onmachtig. Centrale vragen kunnen zijn: wie dien ik, wie is heerser, waardoor wordt ik beheerst in privé en in het maatschappelijk handelen, waarin kan ik, wil ik keuzes maken over grenzen heen om mens te worden. Net als aan de 'dochter van Jakob' politieke vragen dus. Door het gesprek kwam deze vrouw tot een dieper inzicht, waarin vooronderstelde haat en afkomst weg vielen. Dank zij de herinnering aan wat haar overgeleverd was. Dat zij ging delen met de mensen in haar stad.

    Het is het mogelijk te kijken en te luisteren naar de reacties in onze omgeving en een dialoog aan te gaan met onbekenden. Dat kan leiden tot mogelijkheden om elkaar tot  recht te laten komen in eigen omgeving. Dit kan door een ander in haar/zijn kracht te zetten, of zelf in je kracht gezet worden.  Delen wordt dan vermenigvuldigen, zij worden wij. Een proces van menswording. Daarom zijn we weer op weg naar Pasen.

    Opkomen tegen geweld, voor gerechtigheid en een vredige samenleving is een oproep aan gelovigen als beelden van God. In de opinie van de samenleving voor velen een ongewoon tafereel.  Christen hebben daartoe de Geest ontvangen om in het krachtveld van deze Geest mee te werken aan recht en gerechtigheid door de maatschappelijke waarheid zichtbaar trachten te maken. Dit alles in het rijk van God dat is en komende is.

     

    Als inspiratie voor bezinning in deze 40 dagen tijd is er materiaal van verschillende organisatie. Kijk op 40 dagen tijd 2017 of vasten actie 2017 met als thema: 'Ik  ben omdat wij zijn'. Er zijn veel initiatieven, ver weg e  dicht bij, die ook na de 40 dagen tijd nog inspiratie kunnen geven.

     

    Héleen Broekema (TWG).

    Dat onze liefde groot mag zijn,

    groot genoeg om over grenzen heen

    de vreemdelingen onze hand te reiken.

    Dat onze liefde wijd mag zijn

    wijd genoeg om over grenzen heen

    de vijandschap en haat te overbruggen

     

    Dat onze liefde warm mag zijn

    warm genoeg om in de koude nacht

    de dagen met wat vrede toe te dekken.

     

    Dat onze liefde diep mag zijn

    diep genoeg geworteld in de ziel

    om in de droge tijden stand te houden.

     

    Kees Pannekoek.

    12 maart 2017

    2e zondag 40dagentijd 12 maart 2017

    Bij deze zondag ontbreekt de reguliere preekschets.

    Misschien is het goed om te verwijzen naar een ander deel van de website, waar we materiaal voor de vastentijd hebben geplaatst. 

    Het komt uit de bron van  Konferentie Nederlandse Religieuzen en Catholic Worker Amsterdam

    5 maart 2017

    Invocabit eerste zondag van de veertigdagentijd 5 maart 2017

    Gen. 2:15-3-9  Rom. 5:12-21. Mat 4:1-4

    Voor deze zondag is een selectie van teksten gemaakt waar we verschillende kanten mee uit kunnen. We kunnen de nadruk leggen op de mens die eeuwig en altijd zal zondigen omdat dat nou eenmaal in hem zit, of omdat hij daartoe is voorbeschikt, wie zal het zeggen – daar is in het verleden al diep over nagedacht, door kerkvader Augustinus en in onze lage landen door Arminius en Gomarus en door Maccovius  en door nog veel meer geleerden en dat betekent dat er ongelofelijk veel over geschreven is; wie hier over graag zijn of haar huiswerk grondig maakt kan zijn hart ophalen.

    We kunnen ook uitgaan van de klassiek liturgische jaarindeling , en ons richten op het  ‘Invocabit’, de “roeping”, ontleend aan ps. 91:15 invocabit me et exaudiam eum (Vulg.) Hij (de mens) zal Mij aanroepen, en Ik (JHWH) zal hem verhoren (SV).

    Hoe zat het ook alweer met die zondeval? Is dit verhaal nog wel “van deze tijd” in een wereld die geen enkel taboe meer erkent, behalve dan wellicht het taboe?

    Het is maar hoe je er tegenaan kijkt. We zien de mens, pas geboren, in een omgeving waarin het  hem/haar aan niets ontbreekt.  Hem/haar  - want van “hij”  of “zij” is nog helemaal geen sprake. Er wordt ook niet zozeer  een aanwijsbaar botje  genaamd “ribbe” van de mens afgenomen  maar veeleer een “zijde”  -  uit die zijde formeert JHWH een vrouw , de “wederhelft” zal man zijn.

    Wanneer we proberen er zo tegenaan te kijken, dan zijn we meteen af van  het aloude misverstand van de masculiene voorsprong.

    De mens is geschapen, pas geboren zo u wilt en het zal hem aan niets ontbreken: zijn natje en droogje, een veilige plek om op te groeien, een zorgenvrij bestaan waarin alles is zoals het zijn moet, zonder verantwoordelijkheden. Kan het zo blijven? Nee – want die mens groeit op en gaat zijn omgeving verkennen. Hoe verkent een pasgeborene zijn omgeving? Op de tast, door alles wat hij te pakken krijgt in zijn mond te stoppen.  Juist ja, die appel. Opgroeien betekent zoveel als kennis verwerven van goed en kwaad, of we dat nou leuk vinden of niet. “Mag niet!” –  iedereen die ooit met opgroeiende kinderen te maken heeft gehad weet dat juist in deze fase zo’n  verbod eer prikkelt dan dat het iets uithaalt. Elke nieuw verworven kennis brengt verantwoordelijkheid met zich mee, verlies van argeloosheid zo u wilt en op enig moment gaat de badkamerdeur op slot.  Eenmaal de kinderjaren ontwassen rijst de vraag: wie ben je, waar sta je, wie zul je zijn, voor God, voor je medemens, voor jezelf. 

    Ik heb altijd een beetje moeite met een strikt biologisch-materialistische opvatting van de religieuze volksliteratuur; de orale traditie van waaruit de verhalen zijn opgetekend  was weliswaar aan strikte regels gebonden voor  de wijze waarop ze tot de verbeelding moest spreken, maar we kunnen het waarheidsgehalte van de traditie niet  toetsen  aan archeologie of met de koolstof-14 methode. Veeleer hebben we hier te maken met de waarheid van de wijsheid, de onontkoombaarheid  en van de herkenbaarheid.

    Ondertussen was die zo juist verschenen  mens niet alleen: geen mens is zo alleen of hij staat in relatie – in een verbond zo u wilt -  met zijn oorsprong, tot zijn omgeving, tot  zichzelf – vanuit die relatie  zal hij zijn omgeving benoemen, onder woorden brengen,  met de mens wordt ook de taal geschapen en de tijd.  Een mens is nooit ‘alleen’  in de zin van ‘verstoken van relaties’.  De omgeving, onze gedachten, merktekens in de tijd – er is altijd sprake van  een vorm van verbondenheid.   Een mens kan wel eenzaam zijn – desnoods in een stad of huis vol met mensen. In eenzaamheid zal hij verkommeren, waangedachten ontwikkelen, zwak of wanhopig worden, Maar ook: in eenzaamheid zal hij juist zichzelf leren kennen en opnieuw “uitvinden” .

    Aanwijzingen voor de overdenking:

    “De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat” (Mat. 4:4)

    Waartoe zijn we geroepen?  Zullen we  een ‘consument’ zijn die leeft van wat hij in zijn mond stopt (de Duitser spreekt van de “Bauchdiener” , mooi woord, nietwaar?) en wiens streven niet  veel verder reikt dan de goederen waarmee hij zich omringt? 

    Juist nu – in de  aanloop naar de verkiezingen – worden we weer overspoeld met woorden, met leuzen, met  kreten zo u wilt.  Wij, mensen, leven niet als de dieren: louter op instinct en ervaring. We zijn “talige”, creatieve  mensen – we zijn “beest met geest”, om maar te spreken met De Schoolmeester, oftewel Gerrit van der Linde (1808-1858) uniek dichter van kolderieke “knittelverzen”.   Met onze kennis van goed en kwaad hebben we ook verantwoordelijkheid verworven, we kunnen niet alleen keuzes maken, we moeten dat ook voortdurend.  We leven bovendien ‘in de tijd’: alles wat we doen en laten komt voort uit de herinnering aan gisteren en heeft gevolgen voor de dag van morgen. Alleen: als denkende en verantwoordelijke wezens  mogen – nee: zúllen we ook af en toe een pas op de plaats maken en ons doen en laten overdenken. We kunnen niet alleen maar voorthollen zonder bezinning of bezieling, we zullen van tijd tot tijd even moeten uitblazen en op verhaal komen. De veertigdagentijd is bij uitstek de fase in het jaar die zich daarvoor leent: overdenken,  bezinnen, dingen op een rijtje zetten en dan, parallel aan het lenteseizoen – met een schone lei overnieuw beginnen. (Zou  dat iets te maken kunnen hebben  met de  genade  waar Paulus over spreekt? Wat ervaren wij als genade? Troostende gedachten? Alles waar we op mogen hopen? Ook dat is  (innerlijke) dialoog  - en iets om eventueel een beetje uit te werken)

    Waartoe zijn we geroepen?  Wie zullen we zijn, waartoe zijn we op aarde – voor mijn part – Adam waar ben je, wíe ben je?   In een wereld waarin we voortdurend onze eigen keuzes denken te kunnen maken – hoewel?  Is alles wat ons overkomt nou werkelijk ons eigen bedenksel?  Mooi moment voor een korte ingelaste  meditatie - , in een wereld waarin iedereen zichzelf zo’n beetje als het middelpunt van het heelal  beschouwt,  ook in die wereld kunnen we niet zonder dialoog met de omgeving, met de medemens,  met  soms demonische  krachten in en om ons heen. Volmaakt wordt het nooit – we zullen nooit veel meer kunnen doen dan ons best, maar hoe dan ook  - we zullen verantwoordelijke mensen moeten zijn in navolging van Hem die ons allen voorging.

     

    19 februari 2017

    7e zondag na Epifanie 19 februari 2017

    Enige gedachten bij: Ex.22.20-26,Ps 71.17-24, Mat 5.33-45 (1 kor.3.16-23)

    De Bergrede schrijft niet voor hoe de 'Mozaische' wetten uit te werken. Dan zou deze manier van handelen gezien kunnen worden als nieuwe wettelijke voorschriften. Het gaat om: anders, bevrijdend,  handelen in een bepaalde context of pogingen daartoe.

    Inleiding:

    Wetten zijn geschreven om een maatschappij in te kaderen of voor vergelding, zoals bijv.de Hammurabi.  De 10 woorden zijn leefregels voor  bevrijde mensen.

    Zij zijn ontstaan in een context waarin de Israëlieten in de verdrukking leefden te midden van andere volken en hun goden, zich afvroegen: 'wie is onze God, de Ene. Wie is z/hij anders dan de goden rondom ons en wie zijn wij als zijn volk. Daarover nadenkend maakten zij hun eigen visie vanuit wat hen overgeleverd was. Joden leren zelf: ''Iedereen heeft besef van de 7 Noachitische wetten, maar God leerde ons deze aan te vullen en te verbijzonderen tot 613. Dit is niet moeilijk, omdat God ons waardig keurt zijn volk te zijn''. Door deze eigen leefregels te hebben, hebben joden door de eeuwen heen hun identiteit behouden.

    De Bergrede is geen tweede wet. Het gaat hier niet om het naleven, van een wettisch dogmatische nieuwe godsleer. Jezus leert zijn leerlingen, met als achtergrond de 'Mozaische wetten, wat het inhoud te zien wat er gebeurt en daar  liefdevol op een andere manier op in te gaan.  Mens te zijn als beeld van God, die alle mensen ziet en het doet regenen over goede en kwaden. Zodoende mee te werken aan een andere / rechtvaardigere samenleving, leefbaar voor alle mensen ongeacht afkomst, ras, klasse, zieken, weduwe, vreemdeling, nationaliteit of mensen behorende tot de romeinse bezetter.  Na de Bergrede verteld Matteüs, hoe Jezus daarin is voorgegaan. Dat zijn levenswijze een bedreiging was voor de heersende machten, de Romeinen, zowel als de tempelleraren. En dat Jezus dat met zijn dood heeft moeten bekopen.

    Ex.22.20-26.

    Context: In Exodus 20 staan de tien woorden beschreven, als 10 leefregels voor het volk. Daar wordt verteld dat deze in de woestijn gegeven zijn, na de bevrijding uit Egypte.  Het zijn bevrijdende leefregels, in tegenstelling tot de volken. Vele van de 613 geboden zijn uitgewerkt in een gesettelde situatie met akkerbouw, veeteelt.

    20 - 26 In deze verzen gaat het over voorschriften t.a.z.v. vreemdelingen, weduwen, en armen. Aan de armen geen rente vragen en zijn mantel, die hij gegeven heeft als onderpand, voor de nacht teruggeven, omdat dit tevens zijn deken is.

    Context: o.a. God niet lasteren, de leiders van het volk niet vervloeken, de eerste opbrengst van de wijn en de eerst geboren zoon aan God afstaan, evenals die van runderen schapen en geiten. Leef als mensen die aan God gewijd zijn. Eet geen vlees dat door een roofdier is gedood, geef dat aan de honden. Zo gaan de voorschriften nog enkele hoofdstukken door ten aanzien van gedrag en de inrichting van een heiligdom.

    Ps 71.17-24,

    Gebed van iemand op leeftijd, die God altijd als een schuilplaats ervaren heeft. God heeft hem nooit beschaamd. Nu heeft deze mens in haar/zijn zwakheid/ouderdom tegenstanders. De smeekbede: laat mij nu niet in de steek. Ik kan me niet meer verdedigen. Wel kan ik herleven door u te loven. Gij heb mij mijn hele leven onderwezen in rechtvaardigheid t.o. tegenstanders. Deze mens kan ook bezien worden als het volk Israël.

    1 kor.3.16-23

    Paulus schrijft aan deze gemeente: Weet u niet, dat gij een tempel van God bent/zijt en dat de Geest van God in (uw midden NBV) u woont? (ST./NB).

    Mat. 5.33-45

    Context: In hoofdstuk 4 beschrijft Matteüs Jezus' woestijn ervaring. Daarna wijkt Jezus uit naar Galilea, omdat hij hoorde dat Johannes gevangen genomen was; en gaat wonen in Kafarnaüm. Daar begint hij met zijn verkondiging: komt tot inkeer, want het koninkrijk van de  hemel is nabij. Hij geeft onderricht in de synagoge en verzamelt leerlingen. Mensen, van ver over de grenzen komen naar hem luisteren. Vanwege de volksmassa neemt Jezus zijn leerlingen mee een berg op. En onderricht hen met de woorden van de Bergrede: Gelukkig ….. Daarna verduidelijkt hij de rol, die hij verwacht van zijn leerlingen. En welke consequenties dat heeft voor hun levenshouding: een liefde volle benadering van mensen en daardoor te laten zien wat het inhoudt te trachten te leven als beelden van God. Hetgeen hen niet geliefd zal maken, omdat zij Jezus volgen. Ondanks dat zullen zij zich verheugen zout en licht zijn. Zo te leven wil niet zeggen de 'Mozaische' wetten afschaffen, maar  interpreteren in eigen context en zodoende bevrijdend te handelen d.w.z. meer doen dan gewoon is, en zo anderen voor te leven. Opdat dezen ook mensen liefde vol benaderen, zoals Jezus en God.,

    33-45.

    • Geen valse eed → helemaal niet zweren. (33-36)
    • Laat je ja, ja zijn en je nee, nee. Wat je daar aan gevoegd komt voort uit het kwaad.
    • Oog om oog, tang om tand → linkerwang, rechterwang.
    • Wordt je onderkleed af genomen → geef dan ook je bovenkleed.
    • Gedwongen worden één mijl te lopen → loop dan twee mijl.
    • Geef wie je iets vraagt en keer je niet af van wie geld van je wil lenen.
    • Je naaste liefhebben en je vijand haten → heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen.

    45. Als jullie zo handelen, zijn jullie werkelijk kinderen van jullie vader in de hemel. Hij laat de zon opgaan en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

    Context:

    Doe niet zoals iedereen, doe meer dan gewoon, normaal is. Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse vader volmaakt is. (Het woord volmaakt slaat terug op de aanduiding van Gods handelen in vers 45. Het is één van de eigenschappen van God!). In hoofdstuk 6 gaat Jezus door zijn leerlingen te instrueren. In hoofdstuk 25: De 7 werken van Barmhartigheid, worden nogmaals  voorbeelden gegeven van een volmaakte levenshouding.

    Jezus en zijn leerlingen.

    Jezus verlaat de massa en neemt tijd voor zijn leerlingen. Hij gaat met hen een berg op .  Dit doet denken aan Mozes, die de berg op ging om de leefregels van God, samenhangend met het verbond, te ontvangen.  Die leefregels zijn er. Wat betekent het nu, in de context van de leerlingen, om hen te laten horen wat het betekent leerling te zijn, in het nieuwe verbond van God met mensen. Dat tot stand gekomen is door Jezus in verbinding met de Vader. Opdat de wereld zou zien en ervaren dat het anders kan, anders zou moeten, om bevrijdend met elkaar te leven ook in een onvrije, door romeinen overheerste situatie. Matteüs schrijft dit op voor de volgelingen van Jezus, die in verwarring raakten, tijdens de vervolgingen, na de val van Jeruzalem. Zij vroegen zich af: Is onze Jezus werkelijk de beloofde Messias. Leerling zijn slaat dus op volgeling/gemeente zijn. In verhalen laat Matteüs zien dat Jezus tijd neemt voor mensen die een beroep op hem doen, ook al is hij met iets anders bezig. En dat hij tijd neemt met zijn leerlingen voor bezinning, vorming en toerusting.

    Jezus begon met gelukkig zijn, dit is een verwijzing naar mensen, die leven met de Tora. (ps.1, ps 71 e.a). Het gaat over anders reageren dan 'normaal' is, een andere benadering in belangrijke situaties. Gewoon leven zoals ieder mens, de goede en de kwaden in de beoordeling van de omgeving, is niet genoeg om zichtbaar te maken dat zij beeld van God trachten te zijn op hun levensweg. Het levensgeheim waardoor mensen niet alleen gelukkig zijn, maar ook vrij door eigen handelen en de uitstraling daarvan naar de ander, ondanks knechtende omstandigheden. Als anderen het opmerken zullen ze er verbaast over zijn. En zien dat er andere mogelijkheden zijn, economisch en politiek door er anders over te gaan denken en te benoemen wat gehoord en gezien wordt als rechtvaardig of onrechtvaardig.

     

    Leerling zijn in 2017.

    Veel mensen, ook christenen, nemen wel de tijd om veel met hun mail, twitter en facebook te communiceren, waar door zij minder aandacht besteden aan hun omgeving, maar daarin ook geen bevrediging vinden. Velen gaan op zoek naar geluk. Yoga, meditatie, mindfullnes (houdt in: wezen bewust leren omgaan met wat je doet, eet, denkt, afvragen waartoe dient dit, wie is er mee gebaat wat ik doe of wordt gedaan, wie ondervindt er schade van). Oude bezinningsmethode, die al jaren ook in Nederland beoefend worden,  worden nu commercieel aangeboden als vindplaatsen voor eigen van geluk. Terwijl deze vormen van concentratie ontwikkeld zijn als instrumenten om een tijd voor bezinning, op lijf en geest, te nemen met het oog op mee te werken aan vrede en welzijn in een samenleving. Te vergelijken met wat de functie zou moeten zijn van 'stille tijd': meditatie, bidden, bijbel lezen, sabbats-/zondagsrust. Met daarbij tijd nemen voor  vieringen, vorming en toerusting in de geloofsgemeenschap, met het oog op het dienen en omzien naar elkaar. Omzien niet alleen in eigen groepering, maar ook en juist in de samenleving. Daar mensen proberen te ontmoeten, die onbekend of onbemind zijn. Een luisterend oor hebben, niet direct zelf een oplossing aandragen vanuit eigen normen, waarden of (voor)oordelen. Maar samen met mensen of een groep een eindje oplopen en trachten mensen weer in hun kracht te zetten, door met hen te delen. Om samen onrechtvaardige zaken aan het licht te brengen, te protesteren of veranderingen te bewerkstelligen, daarvoor zijn mensen nodig die opstaan en daar de tijd voor nemen.

     

    Er staan spannende verkiezingen voor de deur. Ze vallen in de 40dagen tijd, een tijd van bezinning. Het vorig kabinet had als motto: 'bruggebouwen'. In afgelopen periode is de kloof tussen rijk en arm in de wereld zichtbaarder geworden. Als gevolg van neoliberale opvattingen moeten mensen voor zichzelf zorgen en gelukkig worden. Lukt dat niet  mensen  dan worden ze aangemerkt als loesers. De laatste jaren worden vluchtelingen en andere buitenlanders als bedreiging gezien of ervaren., er heerst onvrede. Dit is, in heel de wereld, een voedingsbodem voor populisten, die mensen deze angsten aan praten, maar geen oplossingen bieden. Toen Obama gekozen werd 8 jaar geleden was men in de wereld enthousiast. Al in een vroeg stadium kreeg hij de nobel prijs voor de vrede. Na 8 jaar ups en downs en veel tegenwerking van de Republikeinen is nu Trump aan het roer, wat zal hij de wereld brengen?

    Hoe reageren wij zelf daar op en als geloofsgemeenschap als we zien dat mensen tussen de raderen belanden of  de angst daartoe hebben? Is meer dan het gewone mogelijk, als het gaat om toename van arm gemaakte of angstige mensen. Er zijn steeds meer mensen die van voedselbanken gebruik moeten maken, vluchtelingen die letterlijk en figuurlijk in de kou zitten, omdat de toelating tot Europa, zoals afgesproken, stagneert. Oorlog, met als gevolg: internationale onvrede, bedreigingen opvoering van defensie en wapenwedloop. Waardoor rechtvaardige oorlog wordt gesteld boven het werken aan rechtvaardige vrede. Is er maar te doen dan het gewone?

    Er zijn groepen nodig om veranderingen te creëren. Van ouds zijn geloofsgemeenschappen groepen geweest, die veranderingen opgang gebracht hebben, in hun historische situatie.

    Geloofsgemeenschappen, hoe divers ook, hebben Volmacht daartoe ontvangen door de Geest,die in hen woont, al lijken zij onmachtig. Er is in geloofsgemeenschappen een potentieel aan mensen met gave en mogelijkheden om inhoud van problemen te analyseren, en aan de orde te stellen. En er zijn mensen die praktisch mee willen en kunnen werken. Beide zijn nodig en kunnen elkaar aanvullen. Via vorming en toerustingsmogelijkheden kunnen zij een andere gezicht laten zien van christen zijn in de samenleving. Anders dan de gewone, doorsnee, opvattingen. Zij kunnen andere aspecten naar voren brengen. Een levenshouding waarin gestreefd wordt naar acceptatie en rechtvaardigere verhoudingen, een rechtvaardige vreedzame samenleving waar mensen tot hun recht komen. Zij kunnen daarbij ook anderen uitnodigen mee te denken en doen of zich bij andere aan sluiten. Geloofsgemeenschappen zouden de eerste moeten zijn, die in het krachtveld van de Geest, trachten  op te staan en mee te werken aan een rechtvaardiger samenleving in het Rijk van God dat is en komende is.

    Héleen Broekema (TWG) 13.01.2017

    Doe meer dan het gewone neem de tijd.

    Tien richtlijnen voor de tijd.

    Ik ben de Here, je God, die je uit dat leven gehaald heb, waarin de tijd alleen maar gevuld werd met geweld, onderdrukking, wanhopig bezig zijn.

     

    • Vul je tijd niet in, door zo bezig te gaan, dat je weer terecht komt in een bestaan dat uitzichtloos is voor jezelf en anderen.
    • Maak geen kniebuiging voor iets of iemand, die je wil doen geloven dat het er in deze wereld alleen op aan komt om tijd te maken voor jezelf.
    • Laat in je doen en laten zien dat Mijn tijd voor jullie een gevulde tijd is, een tijd vol liefde, ontfeming, vergeving en heling.
    • Neem de tijd om je kindeen het verhaal te vertellen en voor te leven van Mijn bevrijding uit alles wat doodt, teneer drukt, chaos veroorzaakt.
    • Ik ben de God, die al mijn tijd geeft om bezig te zijn met jullie leven. Maak ook tijd om naar dat verhaal te luisteren en je erdoor te laten inspireren.
    • Ga zo met je tijd om, dat je doen en je laten erop gericht is dat een ander het weer ziet zitten. Verder kan, ademen kan, leven kan.
    • Laat de ander merken, door de tijd die je voor haar/hem maakt, dat z/hij waardevol is; dat met elkaar het leven pa echt leven wordt.
    • Neem er eens tijd voor om je af te vragen hoe je het zelf zou vinden, als de ander zich meer achtte dan jou en jouw leven wilde bepalen.
    • Verdoe je kostbare tijd niet met het negatieve van een ander naar voren te halen. Probeer daarentegen juist het positieve van een ander te laten zien.
    • Vul je tijd niet, om datgene naar je toe te halen wat je nog mist. Wie zo leeft en zijn dagen dagen doorbrengt zal altijd diep ongelukkig blijven.

    Geinspireerd op de tekst van een onbekende schijf(st)er

    5 februari 2017

    5e zondag na Epifanie 5 februari 2017

    Preekschets voor zondag 5 februari 2017, vijfde zondag na Epifanie.

    Jesaja 43,9-12 Psalm 112 (1Korintiërs 2,1-5) Matteüs 5,13-16

    Jesaja 40-55 - “ Deutero-Jesaja”- bevat woorden van een onbekende profeet die zou zijn opgetreden tijdens de periode van de Babylonische Ballingschap. De Godsspraak in de verzen 9-12 heeft een aantal vertaalkeuzes opgeleverd. Zo geeft de Naardense Bijbel hier voor v. 9: Al zijn alle volkeren samen vergaderd en zullen de natiën zich verzamelen, wie onder hen zal deze dingen melden, de eerste dingen doen horen?- kunnen zij hun getuigen opgeven om hen te rechtvaardigen en horen die genoeg om te zeggen ‘dit is wáár’?

    NBV vertaalt: 9 Alle volken zullen zich verzamelen, alle naties komen bijeen. Wie van hun goden heeft aangekondigd wat eertijds nog te gebeuren stond? Laten zij getuigen leveren om hun gelijk te bewijzen, opdat ieder die hen hoort zal zeggen: ‘Het is zo!’

    Grote verschillen, kortom. Hoe dan ook, alle vertalingen baseren zich hier op een tekst die ontstaan zou zijn tijdens die ballingschap (583 v. Chr – ca 520) De Babylonische suprematie over het gebied werd doorbroken door de Perzische koning Kores (of Cyrus II de Grote, 559-530 v. Chr.) die in 539 Babylon veroverde. Het ‘decreet van Kores’ in 538 zou terugkeer naar Jeruzalem mogelijk hebben gemaakt (vgl. Ezra 5: 13). In Babylon zou een grote verscheidenheid aan stamgoden en mysteriereligies hebben bestaan en de hier voorgestelde Jesaja teksten nemen daartegen duidelijk stelling.

    Werd Kores gezien als de redder van Israël? En heeft de “knecht” in v. 10 betrekking op de profeet? We zullen het nooit helemaal precies kunnen zeggen. Voor onze protestantse voorouders en de geestelijk vaders van de SV was het glashelder: zij lazen de ‘gansche Heilige Schrift’ vanuit een christocentristisch standpunt, moeizaam verworven vanuit het Middeleeuwse presentiemodel; voor hen kon die ‘knecht’ niemand anders dan Christus zijn.

    De tekst uit Mattheus ligt in het verlengde van de Bergrede die vorige week centraal stond in de prediking. Daar waar de Bergrede vooral een opbeurend en troostend karakter heeft, daar steekt de tekst uit de verzen 13-16 de toehoorders een hart onder de riem. Niet wegkruipen in een hoekje, geen duistere cultus bedrijven, maar zichtbare navolging, tot verlichting van alles en allen.

    Suggesties voor de overweging:

    “Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal [het] gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.” (Mat. 5:16)

    We kunnen niet om de politiek-historische context heen, wanneer we deze teksten als uitgangspunt voor onze prediking nemen. Deutero-Jesaja treedt op in een wereld die beheerst wordt door militair geweld en politieke belangenafweging, de context van het Nieuwe Testament is die van de “Pax Romana”: de ijzeren greep van het Romeinse Rijk. Beide werelden geven blijk van grote culturele verscheidenheid en ook van onverschilligheid ten aanzien van alles wat kwetsbaar is. Een vergelijking met onze eigen tijd is dan ook moeiteloos te maken.

    Koning Kores – oftewel Cyrus II de Grote, heerste aan het einde van de zesde eeuw vóór het begin van onze jaartelling over Perzië. Hij stuurt troepen naar Babylonië – en na maandenlange belegering lukt het hem de zwakke opvolgers van Nebukadnezar van de troon te vegen – en Babylonië in te lijven.

    De ballingen van Babylon, de nazaten van de Israëlieten die door Nebukadnezar zijn weggevoerd krijgen weer een nieuw regime te verduren – nieuwe bezetting, weer een andere dictator. Het was onrustig in het gebied dat wij het “Midden-Oosten” plegen te noemen. Toen ook al. Maakt het veel uit voor de nakomelingen van Abraham en Saraï – dat er weer eens een andere despoot de lakens uitdeelt?

    Wel iets. Cyrus de Grote – of Kores, zoals ons OT hem noemt, moet een fabelachtig organisator geweest zijn. En een bijzonder praktische man. Cyrus weet in elk geval te zorgen voor een beetje rust – en dat is al een heleboel – en hij is zeer vaardig in de onderhandeling wanneer hij ergens voordeel ruikt.

    Wat heb je aan een grote hoeveelheid ontevreden immigranten die een halve eeuw eerder tegen hun zin het land zijn binnen gevoerd, en die begrijpelijkerwijs nog steeds hun grieven daarover hebben? Een deel van hen heeft zich zo goed en zo kwaad als het ging aangepast, maar de algemene stemming zal niet bijzonder positief geweest zijn. Aan zulke mensen heb je weinig – ze vormen waarschijnlijk een mogelijke bron van onrust en opstand. Je kunt ze veel beter te vriend houden, dan zul je meer plezier van ze hebben. Daarom zegt Cyrus de Israëlieten toe dat ze terug kunnen keren naar Jeruzalem, wanneer ze dat willen. Hij tekent er zelfs een verdrag voor – wie weg wil die mag, er hoeven zich voor deze Farao niet eerst tien plagen voor te doen, en wie wil blijven die mag dat ook. Koning Cyrus laat de ballingen de keus - degenen die om welke redenen dan ook in Babylon blijven hebben betere leefomstandigheden gekregen.

    Nu was koning Cyrus niet alleen maar aardig voor de joodse ballingen die terug wilden naar Jeruzalem. Cyrus had er alle belang bij dat er tussen zijn Perzische rijk en erfvijand en concurrent Egypte een flinke buffer zat – en wanneer nu de voormalige joodse ballingen terug in Jeruzalem weer iets moois zouden opbouwen, en wanneer die voormalige joodse ballingen hem, Cyrus een warm hart toedroegen, dan was er veel gewonnen. Zo werkt politiek. Zo werkt de wereld, onverschillig of het nu de wereld van Cyrus ofwel de Romeinse keizers is, dan wel de “Pax Americana” van onze dagen. “Bevriende staatshoofden” worden niet te vriend gehouden omdat ze het goede nastreven en de kwetsbare medemens in bescherming nemen, maar omdat er grote strategische of commerciële belangen meespelen. Zelfs de tempel in Jerusalem mag weer herbouwd worden, uiteraard onder wakend oog van Cyrus. Een corrupt of dictatoriaal regime houdt doorgaans de religieuze centra nauwlettend in het oog; men denke aan de kerken in Duitsland in de jaren dertig.

    We zouden aandacht kunnen besteden aan de wérkelijke opdracht van de kerk: in woord en daad spreekbuis zijn van het Messiaanse tegenverhaal, in navolging van de Mattheustekst, niet om der wille van het eigen vuurvast gelijk, maar tot heil van de wereld waarin we leven.

    Een kerk die onder wakend oog van een abject regime of van een gewelddadige bezetter, of een kerk die genegeerd door de onverschillige massa, uitsluitend nog in stilte haar rituelen uitvoert zonder maatschappelijk engagement, zo’n kerk heeft geen functie meer. Zonder engagement is Gods gemeente nog slechts een vorm van heemschut, een verkwijnend museum.

    En wanneer we die werkelijke opdracht van de kerk op aansprekende wijze over het voetlicht hebben kunnen krijgen, dan kunnen we misschien weer eens met een gerust hart LvK 474 op de liturgie zetten.

    Geraadpleegd o.a. Israel in Exile: The History and Literature of the Sixth Century B.C.E., Rainer Albertz

     

    29 januari 2017

    4e zondag na Epifanie 29 januari 2017

    Sefanja 2:3; 3:9-13.

    Moeilijk blijft het als de roostermakers hier een tekst en daar een stukje op de lezenaar leggen. Misschien mag het omdat het tekstverband met de tussenliggende woorden vaak niet zo dwingend is. Lastig. Het is ook niet zo makkelijk uit te leggen aan de aanwezigen welke betekenis dat voor de uitleg en verkondiging heeft. Ik laat het meestal weg.

    Dat er een nederig volk ter sprake komt, 'zoeken naar rechtvaardigheid' ook komen we straks tegen in de zgn Zaligsprekingen. En meer overeenkomsten zijn wel te vinden. Ook hoor je hier en daar sommige van de Tien Geboden door klinken.
    De zaligsprekingen liggen in lijn daarmee. De oude discussie 'dat ze er in de plaats van zijn gekomen' lijkt me niet meer nodig. Maar het geeft aan hoe serieus je deze 'goede wensen' van Jezus moet nemen; welk gewicht ze horen te krijgen.

    Mat 5: 1-12

    Dat en dat, zegt Jezus, daar kun je GELUKKIG mee thuis komen. De zaligsprekingen – blijf ik ze maar noemen – zijn ‘het allerbeste’ dat Hij ons maar kan wensen. Een alles vervullend verlangen naar vrede.

    Als je vergaat van de dorst naar gerechtigheid, – DAAR zit veel heil in.

    Het allerbeste is dat je arm van geest bent.
    Alleen maar weten van menselijke maat: dat is ‘arm van geest’ in een notendop.

    Dat je barmhartig zult zijn.

    En nederig van hart zult zijn.

    En super zalig is bij Hem als je een vredestichter bent.

    Jezus noemt ook nog als beste wensen : dat je vervolgd wordt vanwege de gerechtigheid. Dat mensen de pest aan je hebben omdat jij bezig bent met dingen van gerechtigheid.

    Dat zijn de ‘allerbeste wensen’ van Jezus.
     

    Hier de zware lading van Jezus, die onze nieuwjaarswensen vaak ontberen.
    Zijn zaligsprekingen maken ons niet blij, maar zijn vaak ons PROBLEEM geworden. We horen nauwelijks meer wat er zo goed en fijn aan is.

    1. Je moet goed beseffen WIE het zegt: Jezus!! Dus niet zo maar iemand.

    2. De zaligsprekingen zijn behalve een GOED, ZALIG BEGIN ook TAAKstellend. Die vredestichters gaan een WEG. Het is een vak dat je nog onder de knie moet krijgen!!! Je kent het beeld van de zaden en de vruchten wel.

    3. De zaligsprekingen zijn INCLUSIEF allerlei lijden. Jezus staat Zelf model voor de Zalige manier van leven. Dat het zeer doet, wil niet zeggen, dat je verkeerd zit; ONZALIG bent. Het kost ontzettend veel energie en doorzetting en lijden om niet af te haken..

    4. Het hele pakket zaligsprekingen niet al te individueel opvatten. Jezus spreekt ons niet per persoon ZALIG, maar SAMEN. Niet op elke stap van de weg maar als totale weg. Als geheel zijn we meer zalig dan hoofd voor hoofd. Samen zijn we een bedreigde, maar zalige diersoort.

    5. En er is een Tafel van SAMEN.

    6. De zaligsprekingen hebben een collectieve inslag, zie KERKINACTIE. Dat is ZALIG werk van ons samen. ((Ook ongegeneerd samen met mensen die zich in de kerk niet thuis voelen))

    7. Kerkinactie loopt vaak achter de barre feiten van oorlog en ellende aan; dat is dan niet anders. Voor een deel is het dweilen met de kraan open. Laat de kerk die verlegenheid ook maar thematiseren.

    8. We blijven de motor van onze onzalige wereldsamenleving die verarming aanjaagt en gelooft in geweld aan de orde stellen.

    9. Heel wat beminde twijfelaars en afhakers van kerk en geloven, blijven vaak de smaak van deze zaligsprekingen nog proeven. En ze lezen ze bij bruiloften en begrafenissen.
     

     

    jan anne bos

    22 januari 2017

    3e zondag na Epifanie 22 januari 2017

    Psalm 139 

    “Als ik wakker word, dan ben ik nog bij U”

    Het mooiste lied van vertrouwen dat er maar te vinden is in de Schriften.
    Hij, de Eeuwige, kent mij en doorziet mij. Al zou ik in de hemel zijn, Hij is daar.
    Kies ik mijn bed in de hel, ook daar is Hij.
    Het is ook de psalm van de golem, het “vormeloos begin.” (vers 16)
    De Golem zal later een grote rol spelen in de Joodse gedachtenwereld, en recenter ook in Tolkiens “In de ban van de Ring.” De golem, dat is de mens in aanleg, die goed kan worden of slecht. Tolkien voert een mens op die verkeerd kiest en terugvalt in de vormloosheid, en zo het kwaad omhelst: Golem verwordt tot Smeagoll.

    Een psalm om rustig voor jezelf te lezen. Op een congres van vroedvrouwen werd hij ooit gebruikt als thema voor de aansluitende dienst (waar ik mocht voorgaan).

    Jesaja 49 vers 1-7 (de “tweede” Jesaja)

    Ook de profeet Jesaja kijkt er op terug hoe hij gevormd werd door zijn God, vanaf de moederschoot geroepen bij zijn naam. Hij kreeg een bijzondere opdracht, en die was niet zachtaardig: hij werd een zwaard in de schaduw van Gods hand, een pijl uit Zijn koker. De stammen van Jakob moet hij laten opstaan om terug te keren naar hun land. Zij zullen een licht worden voor de volkeren: het heil zal reiken tot de einden van de aarde!

    Bij Israël zie je, de hele geschiedenis door, die verscheurdheid tussen zelfhandhaving en lichtende aanwezigheid tussen de volkeren. Zoals je die ook ziet bij de latere volgelingen van Jezus, die zich naar hem “Christenen” noemen. Onderling verdeeld, zoeken ze, wij dus, maar al te vaak hun heil in zelfhandhaving, particularisme. Daarbij hoort de afsluiting voor het bestaansrecht van de ander, en het terugvallen op de voorrang van het zwaard.

    Mattheüs 4,12-22     

    Jezus, een zoon van Israël, gaat de omgekeerde weg. De Boze wijst hem de route van het privilege en de macht, die hij met zijn bijzondere, goddelijke karakter zal kunnen kiezen. Iedereen zal voor hem juichen als hij de Boze eert en met list de weg van de macht en de intriges gaat. Jezus kiest er voor God alleen te vereren en zich op de minste van de mensen te richten. Johannes de Doper is hem voorgegaan, en Jezus kiest zijn weg in het besef dat ook hij kan worden “overgeleverd.” In Galilea begint zijn missie, aan de rand van het machtsgebied van Herodes. Daarmee vervult hij een profetie van Jesaja: “De gemeenschap die leeft in de marge zal een groot licht zien!” Hij roept twee eenvoudige vissers op om hem te volgen, en zij gaan, ze laten hun netten liggen. Er volgen er nog twee, en ook zij laten hun schip en hun zekerheid achter. De rest van het verhaal kennen wij: Jezus wordt veroordeeld, zijn volgelingen worden verstrooid. En toch winnen de zachte krachten het in de nieuwe gemeenschap die ontstaat. Met die zachte krachten worstelen ook wij in onze kerken, al eeuwenlang. In ons hart weten we dat die zullen winnen, ook als ons dat zekerheden kost – en onze privileges.

    1 Korintiërs 1,1-9 

    Hier zijn we al weer jaren verder. Met Jezus is schijnbaar afgerekend, maar er ontstaat een sterke beweging uit de geest die hem dreef. Jezus is de Zoon van God, zo duiden zij hem aan. Zij weten zich geroepen om in die Geest verder te gaan. Paulus heeft de weg gevonden van vervolger tot volgeling van Jezus en zijn mensen. Hij schrijft hier een brief aan de pas gevormde gemeente in Korinthe, vol superlatieven over genade, vrede en rijkdom. De grenzen tussen Jood en “Heiden” zijn doorbroken. In de gemeenschap met de Zoon zullen de mensen één worden. Paulus weet van verdeeldheid, waarbij de een de naam van Paulus wil dragen, de ander van Apollos of van Kefas (Petrus), of van Christus. Paulus zet daar de naam van Jezus Christus tegenover, “onze Heer.” Hem kun je niet in stukken delen. 

    Wat is er intussen niet gebeurd met volgelingen van Jezus en hun onderlinge strijd, met hun kruistochten naar buiten toe. Wij wensen elkaar de vrede van Christus toe in de kerk, en dat heeft consequenties voor onze opstelling onder de mensen!

    Janna F. Postma

     

     

    15 januari 2017

    2e zondag na Epifanie 15 januari 2017

    Enige gedachten bij: Jes.62.1-5, Ps 96, (rom 4.1-12), Joh. (1.29) 2.1-11. Voor 15 januari, de 2e zondag na Epifanie.

    Niet vanuit economie of politiek, maar vanuit de periferie, de gemeente, moet liefde en gerechtigheid, in woord en daad, openbaar worden. Dit als een afspiegeling van de liefde en gerechtigheid van God naar andere mensen, Jezus is daarin voorgegaan.

    Inleiding.   Jesaja 61.10 – 63.9 zijn troost verzen voor de verdrukten. Ze gaan over vernieuwing van het verbond met alle generaties uit verleden, heden en toekomst.

    Johannes schrijft vanuit het verstaan van zijn lezers van de Hebreeuwse bijbel. De beschrijving moet gezien worden als verzetslitteratuur, met codering. Het evangelie moet dan ook niet gelezen worden als 'anti – joods', maar als bevrijdend voor wie Jezus navolgen als het vlees geworden woord. De Johannes' gemeente was een gemeente in de verdrukking. De vragen waren, na de val van Jeruzalem, vele: 'Was deze Jezus, de Messias die wij verwachten'. Tijd en plaats zijn in de verhalen, die door Johannes aan Jezus worden toegeschreven, van groot belang.

    Het eerste gedeelte van het evangelie bestaat uit de tekenen en werken van Jezus. Die tonen aan dat Jezus een licht uitstraalt van liefde en gerechtigheid, zoals de beschreven eigenschappen van God. Deze vat Johannes daarna samen in de: 'Ik ben woorden'.  Daarna volgen instructies voor de leerlingen / de gemeente, en de voorbereiding op zijn dood.

    Ps 96, Laat het uw leidraad zijn van dag tot dag Gods heil, de glorie van zijn Naam te verkondigen.

    Jesaja62.1-5 Jesaja krijgt de boodschap niet te zwijgen, maar te verkondigen, dat de ENE (61.11)  gerechtigheid en lofzang zal doen ontspruiten, bij alle volken. God, en daarom ook de schrijver mag niet zwijgen omwille van Sion/Jeruzalem.  Ook de wachters (62.6), die aangesteld zijn op de muren van Jeruzalem, mogen niet zwijgen, totdat er gerechtigheid gedaan wordt die, als een fakkel, licht zal verspreiden.  Zodat de gerechtigheid van de Heer, de ENE (NB) zichtbaar zal zijn voor alle koningen en heidenen. Als de trouweloosheid verdwijnt, zal ook de troosteloosheid verdwijnen. Dan zal het volk een nieuwe naam krijgen, die de ENE zal bepalen. Het zal weer de kroon op de schepping worden. Hoop voor de toekomst in relatie met God door gerechtigheid te doen. Hoop op een land waar mensen bevrijd kunnen wonen. (in tegenstelling tot Babylon). Dan zal God vrolijk zijn (STV)/ zich verheugen(NBV) /verrukt zijn (NB) over zijn volk, zoals een bruidegom over zijn bruid. Sion wordt ook elders betitelt als de bruid van God. Het bruiloftsverhaal te Kana, zoals Johannes dit ziet, doet denken aan deze woorden uit Jesaja.

    Joh. (1.29) 2.1-11.

    Context: Johannes begint zijn beschrijving van zijn goede boodschap, voor de Johannes gemeente, niet met een aantonen dat Jezus uit het geslacht van David komt, noch met zijn doop. 

    Hij begint met: In het begin was het Woord. Twee verwijzingen in de eerste zin: In het begin, zo begint Gen. 1. Het woord (dabar = woord en daad) komt uit de Tenach. Het begin wordt ingedeeld in dagen. Jezus wordt voorgesteld als de verpersoonlijking van de woord/daden van God.

     Johannes de Doper, profileert zich duidelijk als voorloper: 'Ik ben het niet, na mij komt de komende....' (Dit t.o. De latere 'Ik Ben' woorden). De nadruk in dit eerste hoofdstuk ligt op inleiding, tijd, plaats en ontmoetingen aan de overzijde van de Jordaan.   

    Tijd: Johannes deelt hoofdstuk één in, in 5 dagen. Hoofdstuk 2 begint met: op de derde dag was er een bruiloft in Kana. Totaal 8 dagen, een 'messiaanse week'.  In het joodse denken speelt de achtste dag een grote rol. Het is de dag van de messiaanse werkelijkheid, die uitgaat boven de tijdrekening en daarmee hier wordt aangekondigd. Een overschrijding van de volheid. Op de derde dag is,er een bruiloft  (2.1). Dit heeft Jezus gedaan als eerste teken (2.11). Een teken dat meer symboliseert dan het gewone.

    Plaats: Het eerste en tweede teken spelen zich af in Kana, in Galilea. Galilea is in de ogen van de leiders in Jeruzalem, het volk van heidenen (gojim) of zij de de Tora niet kennen. Kana komt slechts 1x in de Tenach voor bij een gebiedsindeling(Jozua 19,28), als plaats in de periferie. Kana wordt  door Joannes 2x gebruikt (2.1, 4.46) om het belang van Jezus voor de periferie (ook de volken) aan te geven. Uitstraling  van Gods liefde en solidariteit is niet te verwachten van politieke - of kerkelijke leiders maar vanuit de woorden en daden van gelovigen (de gemeenten), in navolging van Jezus. Wat er verteld wordt is van belang, maar heeft een diepere lading.

    Wie spreekt/ handelt t.o.z.v. Wie, hoe en waarom?

    • Moeder is aanwezig zij is onderdeel van het gezelschap. Zij ziet dat de wijn op is. Moeder staat hier voor het symbool van dat Israël dat ziet dat er iets niet volledig is in de verhouding God – Israel. Zij attendeert Jezus op dit gebrek (aan wijn) en bemiddelt in dit gezelschap . Zij geeft de bediende instructie te doen wat Jezus vraagt.
    • Jezus en zijn leerlingen zijn genodigd zij vertegenwoordigen de messiaanse gemeenschap. Jezus antwoordt haar: (dat de wijn op is) 'betekent dat iets tussen u en mij'? Dat wil zeggen wat u vertegenwoordigd en wat ik vertegenwoordig is niet hetzelfde. Jezus taak is voorbeelden van bevrijdend licht te brengen in de wereld door zijn woorden en daden. Een lichtend voorbeeld van  een nieuwe interpretatie van de Tora. Johannes zal dit verhelderen door tekenen en werken van Jezus te beschrijven. Jezus vervolgt: 'vrouw, (niet moeder), mijn uur is nog niet gekomen' (2.4). Doordat Jezus toch in actie komt op dit bruiloftsfeest wordt aangegeven dat dit uur er aan zal komen. Jezus zijn uur is pas gekomen, als zijn zending voltooid zal worden (12.23) Het antwoord van Jezus geeft een kritische spanning aan tussen de realiteit van het gezelschap/de samenleving en de praktijk zoals die zou moeten zijn in de messiaanse Johannes gemeente. Jezus geeft opdracht de water vaten te vullen, tot aan de rand.
    • Leerlingen. Kunnen Jezus glorie zien en zodoende leren tot geloof te komen (2.11)
    • Watervaten: De 6 vatten (bijna een volmaakt getal) voor het reinigingsritueel, volgens de Tora, waren niet vol. Dit reinigingswater van de Judeers (2.6), is symbool van de reiniging door de Tora, (zoals ook doopwater).Het navolgen van de Tora functioneerde dus niet volledig. Judeers zijn, in het Johannes evangelie, de tegenstanders van Jezus, die het met hem oneens zijn over zijn woorden en daden en zich daardoor bedreigd voelen.  De vatten moeten weer tot de rand toe bijgevuld worden (2.7). De naleving van de Tora is gedeeltelijk uit het zicht en moet weer volop zichtbaar gaan functioneren. Het water moet weer levend water worden, ter leniging van het gebrek: wijn.
    • Wijn: De navolging van de Tora zal weer waarachtig moeten worden, in navolging van de goede wijn van de ware wijnstok. (15.1-5 Johannes schrijft slecht 2x over wijn) . Toen in een wereld van oorlog en onderdrukking (door de Romeinen). Omdat getoond wordt dat het anders kan, dat meer dan het gewone mogelijk is en leerlingen daarin geloven. (2.11)
    • De bedienden:  (In de Griekse tekst staat niet bedienden of slaven maar: diakonos, zij die dienstbaar zijn en Jezus volgen 12,26). Deze diakenen moeten de vaten tot de rand toe met water vullen. De diakenen krijgen de opdracht wat in de vaten zit te brengen naar de ceremonie meest, die proeft het en het blijkt wijn te zijn. De diakens maken nu, evenals in de gemeente, deel uit het geheim. Zij ervoeren hun taak (in de gemeenten) dat de Tora volledig uitgevoerd moet worden, zodat gebreken gelenigd kunnen worden. Jezus staat te midden van hen, maar wordt nog niet herkent.
    • De ceremonie meester: Is verbaast over het beleid van de bruidegom, die de goede wijn bewaart heeft tot de derde dag. – De dag waarop het water van het land gescheiden werd en groene planten en vruchten ontstonden die zaad voortbrachten! 
    • De Bruidegom: De reactie van de bruidegom, die geroepen werd door de ceremoniemeester lezen we niet. Omdat het hier gaat om, de slechts gedeeltelijke relatie met de Andere Bruidegom, God. De relatie van de Ene met Israël en de volken als zijn (volledige) bruid. 
    • De bruid  deze is nog afwezig. Het leerproces van de bruid zal in eerste instantie tot doel hebben, het herstel van Sion / Israël (jes. 62) en dan met de volken. Een leerproces tot op vandaag.

    Tot op vandaag.

    Kana, als een eerste teken om te leren dat wat in de Tora beschreven is, weer een creatieve rol zou moeten spelen in de messiaanse (Johannes) gemeente. Dat blijkt een lange leerschool te zijn, voor alle geloofsgemeenschappen, tot op heden.

    Voor een geloofsgemeenschap ook nu betekent dat, dat het niet gaat om geloven in dogma's, maar in woord en daad om te zien naar elkaar en naar mensen die op haar weg komen. Niet zwijgen waar het gaat om onrechtvaardigheden en liefdeloosheid. In onze samenleving bijvoorbeeld daar waar:

    • op de neoliberale markt  gezegd wordt dat iedereen het eigen geluk zelf moet zoeken en anders aangemerkt wordt als een mislukkeling,
    • mensen het gevoel hebben niet gehoord te worden,
    • ongenoegen, door crisis, oorlogen, angst en onzekerheid, op buitenlanders, joden en vluchtelingen afgewenteld wordt, 
    • door het populisme angsten en nationale gevoelens  aangewakkerd worden,
    • de  wapenhandel floreert, onveiligheid gepromoot word, met als gevolg dat de defensie begroting opgevoerd zou moeten worden!

    Een geloofsgemeenschap in deze tijd zal kunnen trachten, samen met anderen waar mogelijk, niet te zwijgen over het onrecht. Maar creatief  het zaad van liefde en gerechtigheid, dat in hen is, te zaaien.  Zoals Jezus heeft voorgeleefd.  Zijn leerlingen heeft hij opgeroepen dat trachten te doen in het koninkrijk van God dat is en komende is, gesteund door het krachtveld van de Geest. Het is nooit te laat om daar mee te beginnen.

    Héleen  Broekema 12.01.17

     

    Laten we ermee beginnen....

    Een jongeman had een droom.

    Hij kwam in een winkel.

    Achter de toonbank stond een engel.

    Haastig vroeg hij hem:

    'Wat verkoopt u zoal meneer?'

    'Alles wat je maar wil'.

    De jongeman zei toen:

    'Dan wou ik graag:

    het einde van de oorlog op aarde,

    betere kansen voor de mensen aan de rand,

    opruiming van de krotenwijken in Latijns-Amerika,

    arbeid voor alle werkzoekenden,

    vormingsmogelijkheden voor jongeren,

    en.....'

    Maar de engel viel hem in de rede:

    'Verontschuldig me, jongeman,

    je hebt me verkeerd begrepen.

    We verkopen geen vruchten,

    We verkopen enkel zaad'.

    8 januari 2017

    Driekoningen, 8 januari 2017

    Jesaja 60,1-6 Psalm 72  Efeziërs 3,1-12  Matteüs 2,1-12

    11 En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.

    Wat is het toch een heerlijk verhaal, dat van die Wijzen uit het Oosten. De μάγοι, de ‘magiërs’, de geleerden van hun tijd, astrologen – wie zal zeggen welke status ze gehad kunnen hebben in een omgeving waar het hemelgewelf naarstig werd bestudeerd, hetzij om te kunnen navigeren tijdens nachtelijke tochten wanneer het overdag te heet was om te reizen, hetzij om te speuren naar tekenen voor de toekomst. De traditie is nogal aan de loop gegaan met de paar regeltjes die alléén Mattheus aan hen wijdt: van de ‘wijzen’ zonder getalsaanduiding heeft ze drie koningen gemaakt (de traditie denkt graag in drieslag en ook: ze hebben drie ‘gaven’ bij zich), ze heeft ze namen gegeven (Caspar, Balthasar en Melchior) en leeftijden (in de vroegst Christelijke traditie staan ze voor jeugd, volwassenheid en ouderdom) en zelfs een kleurtje – waarmee ze vertegenwoordigers geworden zijn van de drie dan bekende leefgebieden: het oosten (bruin), het westen (blank) en het zuiden (zwart). Het staat allemaal nergens, maar de volksfantasie heeft het er van gemaakt en het verhaal daarmee een onschatbare iconische waarde geschonken. Heerlijk zo’n verhaal, waarin nou eens niet de verondersteld historische lading de betekenis zal bepalen, maar puur de kerygmatische.

    Sterrenkijkers zijn ze, sterrenwichelaars zo u wilt, gewend om omhoog te kijken. Maar nu hebben ze iets gezien wat in hoge mate hun aandacht heeft getrokken, daar, in het oosten in de woestijn waar de lucht kurkdroog is en dus vaak ook glashelder.

    In het tweede vers vinden we de term “προσκυνήσωμεν “ die enerzijds kan verwijzen naar een ceremoniële handkus waarmee men hooggeplaatsten eer of hulde kan bewijzen, anderzijds naar “ter aarde werpen” of neerbuigen in onderwerping; we mogen daarbij denken aan een prosternatie zoals die in andere geloofsculturen te doen gebruikelijk is. Wanneer de Wijzen aankondigen dat ze een nieuwgeboren koning willen aanbidden, dan reageert Herodes nogal gestoken, want de machtigste man van het land is HIJ en hij duldt geen concurrentie. Zou Herodes beseffen dat maar weinig mensen bestand zijn tegen de macht van pasgeboren onschuld? Dat het kind in de kribbe gebruikelijke kennis en geleerdheid tot dwaasheid kan maken, alleen al door te ZIJN, en dat het Wijzen, die gewend zijn vér omhoog te kijken, kan dwingen omlaag te kijken naar het wonder van het alledaagse? En dat dat kind in die kribbe tijgers kan veranderen in lammeren?

    En dan die geschenken of gaven: ook die zijn, net als het verhaal, uit het jaar nul, van lang vóórdat er kraamcadeautjes werden gegeven. We kunnen daarbij invullen dat deze drie “Wijzen” zijn die geschenken meenemen: ze schenken Hem macht (goud), een verbond met de hemel (wierook) en ze verwijzen met de balsemhars naar Zijn toekomstig lijden. Het kan. Maar misschien kan er nog iets:

    θησαυρούς (openmaken, openleggen) kan vertaald worden als “schatten”, als schatkistjes die voor het Kind in de kribbe worden opengemaakt, blootgelegd zo u wilt. Goud kan dan verwijzen naar ons aardse slijk en naar onze machtswellust, balsemhars kan ook worden uitgelegd als verwijzend naar algemeen menselijk lijden en wierook staat dan voor de verbinding met de hemel of het transcendente, kortom, de θησαυρούς kunnen verwijzen naar alles waar we allemaal zo druk mee zijn, zo dat we meestal het belangrijkste vergeten: de barmhartigheid en de trouw (vgl Mt 9:13). En juist die drie θησαυρούς , die voornaamste drie aardse besognes leggen de ‘Wijzen’ aan de voeten c.q. in de handen van het kind in de kribbe.

    En die ster? Sterrenkundigen uit alle windstreken en tijden hebben er zich het hoofd over gebroken, wat voor een ster dat zou kunnen zijn: een supernova, de komeet van Halley?

    Of zouden we in dit fantastische verhaal, letterlijk fantastisch omdat het zo de fantasie, de verbeelding heeft geprikkeld door de eeuwen heen, zouden we dan die ster niet gewoon mogen interpreteren als DE ster, oftewel de ster van David?

    In de antieke vóórmiddeleeuwse wereld nam het hoogfeest van Driekoningen een veel grotere plaats in dan bij ons; de θησαυρούς brachten ook nog wat liefdadigheid van de westerse kerk op gang waarmee deze in de eerste week van januari de allerarmsten een beetje ondersteunde, van waaruit weer tradities zijn ontstaan van bedelaarsfeesten en lampionoptochten (Tilburg), kortom, stof genoeg voor een diepzinnige en toch vrolijke overweging

    Liedsuggesties: Ps. 72, Ld 918, Ld 515 e.v.

    25 december 2016

    Kerstmis 25 december 2016

    Psalm 98 Jesaja 52,7-­‐10  Hebreeën 1,1-12 Johannes 1,1-14


    Kerstmis op een zondag. Wie moet voorgaan dit jaar kan het misschien wat beter overzien. Of heeft juist een zo compact programma dat alles over elkaar heen valt.

    Thema’s uit onze lezingen: Blijdschap en zingen, verwachting die vervuld wordt. God heeft gesproken tegen de mensen vóór ons, en nu horen en zien wij ook een voorbode van vrede en de heelheid. Hij komt, die we verwachten. Want het komt van een mens van God, het komt van de mensen die zijn boodschap konden bevatten en in praktijk brengen. Hier in het noorden hebben we de verwachting van Jesaja, de jubel van de Psalmen, het Woord dat mens werd in een pasgeboren kind – dat alles hebben we gekoppeld aan het feest van de Zonnewende. Zinvol of niet zinvol, het zit gewoon in ons, zoals het verhaal van de geboorte van de kinderen in ons eigen midden. En dan zijn we nu bij de Schriften.

    Psalm 98 is, samen met Psalm 96, het nieuwe lied dat wij zingen over Hem die eindelijk eens recht zal spreken en het ook zal uitvoeren. We mogen elkaar toezingen zodat we niet opgeven dat recht ook te doen. Vandaag mogen we daarbij zingen en dansen en spelen op de harp en de trompetten. De rivieren klappen in de handen, de bergen wiebelen van vreugde. Want er zal recht gedaan worden aan mens en schepping. Het begint in Israël, en het gaat verder de wereld door. `

    Jesaja 52

    Word wakker en laat je troosten, zegt de profeet tegen Jeruzalem. Heerlijk zijn de voeten van de vreugdebode op de bergen: zij brengen een boodschap van vrede en heil. De verste uithoeken van de aarde zullen het zien! Dit is het einde van een tijd van belegering, vluchten en meegenomen worden. En dan leven onder het juk van een buurvolk dat dol is op veroveren van grondgebied en daarbij terloops de mensen opruimt. De profeet kijkt nog even naar het verleden, hoe het volk Israël gebukt ging onder het juk in Egypte en geterroriseerd werd door de Assyriërs. “Ik liet het toe,” laat de profeet God zeggen. (We noemen hem Deuterojesaja of zelfs Tritojesaja – we weten zijn naam niet meer. Zijn woorden zijn toegevoegd aan het boek van de “eerste” Jesaja. Hij ziet de deportatie van zijn volk als een consequentie van de onderlinge omgang en doortrapte diplomatie – net niet doortrapt genoeg, en zo volgde er deportatie naar het gebied van de Babyloniërs. Toch zag ook deze Jesaja het heil weer verschijnen aan de horizon: er zal een bijna goddelijk kind geboren worden, en dat brengt heil -heelheid. Nu is het dan zo ver, doe je mooiste kleren aan, je mag terug naar waar je volk vandaan kwam! Hebt u ooit van de zingende ruïnes van Jeruzalem gehoord? Hier zijn ze, in de visie van de anonieme profeet. Ga dan op weg, want Hij zelf zal voor je uit gaan en je achterhoede beschermen. Reinig je, en dat betekent iets geestelijks in de taal van die tijd. Laat Babylon en zijn goden achter, en richt je op de Ene. Je bent een heilig volk, van Hem, en je hoort niet bij dat hele Pantheon van machten die zich nooit uitspreken over hun bedoelingen. Dit Israël is een volk van goddelijke en menselijke woorden. Wij weten dat er niet lang geleden opnieuw een terugkeer heeft plaatsgevonden. Andere volkeren hebben daarvoor betaald, en of dat nu de bedoeling was van de Ene? Voor ons gaat het er om dat we ons inleven in mensen, en blijven zien wat de bijzondere missie is van Israël. De Ene is barmhartig, en wij geloven dat Hij er is voor alle mensen. Dat maakt het soms lastig om te spreken over het heil van God voor Israël en het heil voor de volkeren. Van beide is sprake in het boek Jesaja!

    Johannes 1

    De lezingen uit het N.T., de geschriften van het vroege Christendom, zijn op deze Kerstdag uit de brief aan de Hebreeën en de brief en het evangelie van Johannes. Johannes was de “discipel die Jezus liefhad.” We weten niet zeker of deze Johannes dezelfde was. Hij is behoorlijk geleerd met zijn Christologie van het Woord, de “Logos” in het Grieks. Hij spreekt de taal van Christenen die georiënteerd zijn op de Grieken. Voor Johannes is Christus het Woord dat al bij de Schepping aanwezig was bij God. Hij was -en is- het Licht. Hij was zelf betrokken bij de schepping van de wereld, de kosmos, maar de wereld verwierp Hem. Zijn eigen volk zag niets in zijn aardse missie van aanvaarding tussen God en alle mensen die in hem geloven. Dit is een heel poëtisch begin van het vierde Evangelie. Je moet het eigenlijk hardop lezen of van binnen horen, voordat je er een Christologie aan ontleent. Het gaat over God, die als mens in ons midden wil wonen en ons als Zijn kinderen wil zien.

    De brief aan de Hebreeën is door een anonieme auteur geschreven, en is gericht aan Hebreeuwse, dus Joodse Christenen die er over denken terug te keren naar hun oorspronkelijke godsdienst. De strekking komt aardig overeen met het eerste hoofdstuk uit het Johannes-Evangelie. Maar de auteur (Paulus?) is een geleerde Jood, die argumenteert en op grond van de Joodse geschriften, het zogenaamde “Oude Testament.” Hij beroept zich ook op de latere leer van de engelenmachten, en hij argumenteert voor het Zoonschap van Christus, die meer is dan de engelen. Hij is de Zoon van God zelf.

    Als u nog inspirerend wilt preken zondag, dan hebt u hier veel keuze!

    Janna F. Postma


     

    18 december 2016

    4e advent 18 december 2016

    Enige gedachten bij: Jes. 7.1-17, Mat.1.18-25, Rom1.1-7, Ps 24 voor zondag 18 dec. 2016, 4e Advent, Kerk en Vrede.

    Leader

    De vierde adventskaars, de herderskaars, wordt aangestoken. Jezus als voorbeeld voor de goede herder, zoals zijn Vader. Wat zegt dat ons, wat doet dat met ons in onze levenspraktijk?

    Inleiding.

    Jes. 7 is het begin van de liederen van het einde van de tijden. In 7-66 wordt in deze 'Liederen van het einde van de tijd' het eind van de tijd steeds anders aangeduid. Na de verwachting van een derde tempel krijgt het, in de joodse traditie, uiteindelijk de betekenis van de verlossing van de hele wereld.

    Matteüs gebruikt de voorspelling over de zwangere jonge vrouw (7.14) om aan te duiden dat Maria, de moeder van Jezus, deze jonge vrouw/maagd zou zijn. Daarmee wil hij aantonen, dat, in de lijn van het joodse volk vanuit de Tenach, Jezus de beloofde Messias is.

    In de Romeinen lezing (Rom.1.1-7) getuigt Paulus van zijn opdracht in navolging van Jezus, als zoon van God, op een zelfde wijze. Zijn opdracht is dit in gehoorzaamheid en geloof te verkondigen, ook aan de geroepenen in Rome. Die hij aanspoort in navolging van Jezus te leven.

    In Ps. 24 wordt de dynamiek bezongen, voor toen en in de toekomst, te zoeken naar de wederzijdse herkenning en erkenning tussen Israëls God en de mensen die hem zoeken. Niet iedereen mag zijn hoogte bestijgen, alleen mensen zuiver van handen. Dat zijn geen mensen die naar wapens grijpen of het leven van elkaar tot een hel maken. Het gaat om integere mensen toen in hun wereld en nu in de onze. Onze wereld is een dorp geworden met schending van mensenrechten, oorlogen, economisch onrecht en ander geweld.

    De vierde adventskaars, de herderskaars, wordt aangestoken. Jezus als voorbeeld voor de goede herder. Wat zegt dat ons, wat doet dat met ons.

    Jes. 7.1-17,

    In 734 voert Rezin, de Koning van Aram/(As)Syrië samen met Pekach de koning van Israël oorlog tegen Juda en belegerd Jeruzalem (o.a.2 kon.16.5-9 ev. Achaz deed niet wat goed was in de ogen van de Heer). Jesaja krijgt de opdracht, van God, samen met zijn zoon, de afvallige Koning Achaz buiten de stad te ontmoeten. En hem te zeggen: het hoofd koel te houden, omdat wat de belagers bedacht hebben niet zal gebeuren. Achaz twijfelt aan deze boodschap. Hij mag God om een teken vragen, maar wil God niet verzoeken/ op de proef stellen. De Heer geeft dan zelf een teken aan het huis van David: 'De jonge vrouw (ha álmah) is (NBV/zal worden(NB/StV) zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen'. Maar voordat dit plaats vindt zal het land begroeid zijn met doornen en distels. De naam Immanuel (God met ons) kan aangeven dat ondanks de duistere toekomst God zijn volk niet zal vergeten. De zoon van Jesaja wat dus getuige van de belofte voor zijn nageslacht. Matteüs gebruikt deze belofte in zijn overzicht van de afstamming van Jezus. (1-17).

    Mat.1.18-25,

    Om Jezus te plaatsen in het kader van de Tenach laat Matteüs het verhaal over het verlossend werk van Jezus Messias vooraf gaan door Jezus' wordingsgeschiedenis. Een geslachtsregister, zoals achteraf vaak gebeurt en gebeurde bij mensen van betekenis. In 1.18 Jezus wordt beschreven dat Jezus ontvangen is door de heilige geest. De zending van Jezus de Messias is in de geest van de Vader, in de geest van een nieuwe schepping. Deze Jezus is de vervulling, zegt Matteüs, van de vrouw (niet de maagd) die zwanger zal worden en een zoon baren en hem de naam Immanuel, God met ons, gegeven (Jes. 7.14). Matteüs grijpt in het geboorte verhaal van Jezus terug op de belofte aan Achaz. In 18-25 wordt gesproken over wie dit kind Jezus is en wat Hem te doen staat: zijn volk redden en bevrijden van de zonden. God zal daarin openbaar worden. Hoe Jezus te werk gaat en zijn leerlingen voorbereid naar zijn voorbeeld, in de geest van zijn Vader, zijn werk voort te zetten beschrijft Matteüs in de rest van zijn evangelie.(3.1- 28.20).

    Jezus leefde voor, hoe mensen recht gedaan kon worden, hoe mensen door mensen kunnen ervaren dat God met hen is. Hij was geen populist, die zich conformeerde met de wil van het volk of de leidinggevende in de tempel of synagoge. Hij moest dat zelf met de dood bekopen, omdat mensen andere verwachtingen hadden van een langverwachte Davids zoon, die zou immers verlossen van de Romeinen. Zijn verlossing was van een geheel andere aard. Hij werd aangemerkt als zondebok. Dat werd voor christenen niet het einde maar een nieuwe begin. De verlossing voor alle mensen. Door zijn voorbeeld van opstaan tegen onrecht is hij geworden tot de opgestane, die zijn leerlingen deed opstaan om in de geest van zijn Vader, verder te werken. Saulus zag dat aanvankelijk, zoals zovele, niet zitten. Als Paulus werd hij een getuige en ervoer dat als genade. Waardoor hij ook weer de Romeinse gemeente op kon roepen vol te houden door te geloven en daardoor hun leven in te richten in gehoorzaamheid.

    Jezus vraagt geen grootse dingen,

    Hij laat voor velen weer licht schijnen in hun wereld van ellende of vraagtekens bij de zingeving van hun leven. Jezus onderwijst daarin, in woord en daad, zijn leerlingen. In de toelichting op de Bergrede staat o.a. 'Zo moeten jullie je licht laten schijnen voor de mensen, opdat zij jullie goede daden/werken zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel (mat. 5.16). Helende woorden en gedachten kunnen functioneren als handen en voeten van God op aarde. Bijna aan het eind van zijn Evangelie laat Matteüs Jezus nog eens samenvatten: het zit in kleine dingen ten opzichte van de naaste die op je weg komt. In het bijzonder de naaste in situaties waarin we zelf dromen nooit terecht hopen te komen. En waar vaak vooroordelen over zijn. We zijn meestal niet op de hoogte hoeveel barmhartigheid, naast alle ellende, ook onderling geschied tussen gevangene, daklozen, vluchtelingen ect. Jezus roept op tot verantwoordelijkheid, te zien wat in de naaste omgeving nodig is. Deze samenvatting staat in hoofdstuk 25, aangeduid als werken van barmhartigheid. Het gaat er dus om: als herder opmerkzaam te zijn op wat verloren dreigt te gaan in onze wereld, maar vooral in onze omgeving, waar mensen zich soms voelen alsof of werkelijk door raderen vermalen te worden.

    Advent,

    de vierde adventskaars is aangestoken. Jezus als voorbeeld voor een goede herder, zoals zijn Vader. Wat zegt dat ons, wat doet dat met ons. In onze levenspraktijk?

    Hoe bereiden we ons voor op Kerst 2016 in een wereld die tastbaar of versluierd in oorlog is. Waar, evenals de situatie in de lezingen van Jesaja en Matteüs, velen onder lijden. Angst voor terrorisme, angst van mensen die dagelijks gebombardeerd kunnen worden, angst van vluchtelingen. Zij wagen hun leven op zee, staan voor gesloten grenzen, hebben vaak geen opvang en bouwen zelf tentenkampen om bij elkaar te schuilen.

    Kerst: vrede op aarde.

    Vrede wordt verkocht als: geluk zoeken door jezelf en tot rust komen in een door techniek bepaalde 24 uur economie. Vrede met jezelf, gezelligheid in eigen huis. Enigszins leven in vrede en harmonie met je zelf, is niets mis mee. Dan kan je ook pas liefde en aandacht schenken aan anderen Het is de nieuwe religie van de markt en minder moraal die het verkoopt als het ultieme privé.

    Bij ons thuis hing vroeger een spreuk: vrede is geen afwezigheid van oorlog, maar aanwezigheid van God. Dit zou ook uitgelegd kunnen worden als een passief ondergaan van het lot, jouw toegewezen door God. Toch weten christenen dat zij niet overgelaten zijn aan het lot. Immanuel God met ons wil ook zeggen dat mensen in het scheppingsverhaal en in de samenvatting van de Tora, de 10 woorden, geroepen zijn tot verantwoordelijkheid ten opzichte van hun naaste, vreemdeling, de samenleving en de aarde. Dat hun 'deur' niet dicht, maar open zou moeten zijn voor de ander en wat er speelt in eigen context. Dit als gevolg van de problematiek in de wereld, die een dorp geworden is. Dit om dat het niet gaat om het kindje teer, maar om de gekruisigde, de opgestane. Die zijn leerlingen is voorgegaan en hen oproept, in het krachtveld van de Geest van de Vader, in eigen context en naar eigen vermogen te zien waar onrecht en geweld plaats vindt, dat tot onvrede leid en waarom dat zo zou kunnen zijn.

    In onze wereld gebeuren dingen die niet zouden mogen gebeuren. We kijken er vaak naar en voelen ons onmachtig. En toch....

    Zou het mogelijk zijn om ons te verdiepen in de achtergronden cq oorzaken van onrecht en onvrede, die we waarnemen of horen door de verhalen van mensen of uit de media. Ons bewust te worden van onze roeping en verantwoordelijkheid. Daarin keuzes te maken in wat naar eigen vermogen mogelijk is. En zodoende onze roeping als leerlingen van Jezus een beetje waar te maken? Gebed en geld voor noden dichtbij en ver weg zijn van belang. Barmhartigheid is meer. Het vraagt in eerste instantie om verdraagzaamheid, solidariteit, omzien naar elkaar. De voorbeelden die Jezus zijn leerlingen geeft zijn in eigen context en kleinschalig diaconaal. Daarnaast is het belangrijk dat we missionair zijn, open naar de samenleving. Ons licht laten schijnen, door te luisteren naar de verhalen van mensen die aangeven geen vrede te hebben met hun situatie, zich door de politiek in de steek gelaten voelen of die door maatschappelijke omstandigheden zoals: discriminatie, schulden, armoede, werkloosheid, dakloosheid, op de vlucht economisch of door oorlogsomstandigheden. Ons licht opsteken door naast directe hulp, samen te zoeken naar oorzaken en wegen tot verandering. Benoemen en aanklagen waardoor het onrecht, de onvrede, het geweld plaats vindt.

    Door zo in het leven te staan is Kerst een feest van viering en bezinning in het bewust zijn dat er andere mogelijkheden zijn dan de doorsnee praktijk en opvattingen. Dat we kunnen trachten messiaanse gemeente te zijn in het rijk van God, dat is en komende is.

    Héleen Broekema

    Die ons voor het Licht gemaakt hebt dat wij leven:

    Spreek licht, wees hier aanwezig in uw Naam.

    Ik zal er zijn

    11 december 2016

    3e zondag advent 11 december 2016

    Zondag Gaudete

    Jesaja 35,1-10  Psalm 146 Jakobus 5,7-10 Matteüs 11,2-11

    Bij het maken van deze schets staat Math. 11:3 centraal:  En (Johannes) zeide tot hem: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen? Ik hanteer bij voorkeur brontaalgetrouwe vertalingen (SV)

    In Mattheus 11 vinden we (v.2) Johannes in de gevangenis. Zijn gevangenschap mondt uit in executie. Echter, geen kerker zo donker of zo massief gebouwd, kan hem beletten te spreken of vragen te stellen.

    Johannes is onzeker ; onzekerheid over verwachtingen of twijfel over de manier waarop dromen werkelijkheid worden is niet ongewoon in de literatuur van Israël. We vinden soortgelijke onzekerheden bij Elia (1 Kon. 19) en ook bij David (1 Sam:25:23 e.v.). Johannes heeft nog geen van zijn verwachtingen ten aanzien van Jezus uit zien komen, en daarom stuurt hij twee van zijn vrienden naar Jezus toe. Jezus’ beantwoordt hun vragen met een wedervraag: kunnen jullie vertellen wat je ziet; misschien is het niet wat je verwacht, maar dat betekent niet dat er geen tekenen zijn.

    In de verzen die volgen vraagt Jezus aan zijn gehoor om niet te kijken met de ogen van een bevooroordeelde; wanneer verwachtingspatronen te veel ingevuld zijn komen ze nooit uit. Jezus wijst de vrienden van Johannes op een paar tekenen uit de directe, zichtbare omgeving: doven die zijn gaan horen, blinden die ziende zijn geworden, zoals ooit voorzegd door Jesaja (Jes 29: 18). Wanneer je echter buigende rietstengels verwacht in de woestijn, wanneer je daar kostbaar geklede mensen wilt ontmoeten, uitgedost alsof ze naar een galafeest aan het hof gaan, dan kom je altijd bedrogen uit. De toon is hier bijna spottend; we moeten voorzichtig zijn met het verbinden van allerlei diepzinnige betekenissen: de taal van OT en NT kan ook puur functioneel zijn. Taal kan illustratieve beelden oproepen, en dat lijkt hier precies Jezus’ bedoeling. In vers 11 kondigt Jezus zowel het einde van de profetie van Israël aan als ook het naderend koninkrijk.

    Het twaalfde vers is niet opgenomen in de lezing, wellicht omdat het als ietwat pessimistisch kan worden ervaren op deze “lichte” adventszondag. Het getuigt echter wel van reëel inzicht in de dagelijkse werkelijkheid: er is veel scepsis ten aanzien van dat koninkrijk.

    Aanwijzingen voor de overdenking:

    Op deze derde adventszondag is de toon licht, de vreugde om het komende licht staat centraal. De vragen komen van Johannes, de antwoorden van Jezus. De profetie eindigt hier en de vervulling van de belofte is aanstaande: het aangekondigde licht. Deze zondag vervult een scharnierfunctie in de adventstijd: weliswaar zal het eerst donkerder worden voordat het licht verschijnt, maar de belofte van licht en leven is onmiskenbaar. Johannes, in misschien zijn donkerste uur, stuurt er zijn vrienden voor op uit. Hij doopte met water; zal de wereld ooit de doop met het vuur van de geest gewaarworden?

    Ook Johannes heeft de woorden van Jesaja gekend. Jesaja, die niet ophoudt ons moed in te spreken, juist in tijden van rampspoed en onderdrukking. Dwars door de ellende, aangericht door Tiglat Pileser, Nebukadnezar, Herodes en al die andere tirannen en dictators zijn de woorden van Jesaja steeds weer ongeschonden komen bovendrijven. Johannes heeft er zich aan vastgehouden, in Christus worden ze vervuld en ze houden niet op ons moed in te spreken. We zouden een tussentijdse meditatie kunnen wijden aan de kracht van het Woord, sterker dan die van wapens en laarzengestamp, het woord dat zich niets aantrekt van kerker, prikkeldraad of boekverbranding. We zouden kunnen afsluiten met Jacobus’ oproep om geduld.

    Geraadpleegde bronnen:

    Beknopt Commentaar op de Bijbel in de Nieuwe vertaling, 2e druk, Uitg. Kok, Kampen, 1985

    Exegese van het Nieuwe Testament, Gordon D Fee, 2e druk, Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 2007

    https://www.biblegateway.com/resources/commentaries/IVP-NT/Matt/Questions-Man-God

    27 november 2016

    1e advent 27 november 2016

    (Gebruikte vertaling: Naardense Bijbel.)

    Psalm 122

    Jeruzalem, waarheen alle stammen opklimmen, … daar staan de tronen van het recht…vraag voor Jeruzalem vrede! Stad van Vrede: dat is de betekenis van Yerushalayim. Hoe kunnen we daarover anders schrijven dan met een brok in de keel. Shalom, de belofte voor Jeruzalem. Deze belofte zweeft nog steeds boven de stad. In het Omniversum in Den Haag bekeek ik een film over Jeruzalem. Wat je ziet is hoe mensen van heel verschillende afkomst samen door de straten lopen. Het leven gaat door, ook al is er geen vrede. Uit de eerste hand hoorde ik later hoe veelkleurig Tel Aviv is en hoe daar meer vormen van vreedzaam samenleven bestaan dan in Jeruzalem. Maar je hoeft alleen het nieuws te volgen om te zien hoe kwetsbaar ook die vrede is. En als je op een kaart naar de muur kijkt, besef je hoe zeer mensen zich aan beide kanten bedreigd voelen. De macht ligt in Israël/Palestina, bij het volk dat ons nog steeds zo inspireert door de geschriften die het heeft nagelaten. En door de verhalen over het optreden van Jezus en zijn volgelingen. Maar waar is nú de vreugde van de opgang naar Jeruzalem gebleven, voor alle bevolkingsgroepen die in dit land wonen? Het onderstaande bericht gaat niet over Jeruzalem maar over Bethlehem, aan de muur. Ik wilde het u toch niet onthouden. Het komt van Fernando Enns, hoogleraar voor vredestheologie en ethiek aan de VU, en luidt -ingekort- als volgt:

    „De internationale Stuurgroep van de Wereldraad van Kerken kwam in het afgelopen jaar bij elkaar in Bethlehem, Palestina. Bij een acht meter hoge muur, tweemaal zo hoog als vroeger de Berlijnse muur. Gebouwd als meer dan een provocatie, ook om de veiligheid van de Israëlische burgers te vergroten. Voor de Palestijnen die we hier treffen is het een collectieve gevangenis. We ontmoeten elkaar in het centrum voor conflictoplossing (Conflict Resolution). Deze mensen zijn bezig met alternatieven voor gewelddadig verzet, proberen het gemeenschapsgevoel te versterken en getraumatiseerde kinderen bij te staan. Onder de druk van de situatie ontstaan ook onderlinge conflicten, die men probeert te beslechten. “Overleven als mensheid door alternatieven te vinden voor geweld,” dat is hun richtlijn, ontleend aan M.L. King. Wij nemen buiten plaats aan een rijk gedekte tafel, om persoonlijke getuigenissen met elkaar te delen. We zitten nog maar net, of er daalt een wolk traangas op ons neer. Toeval? Hier kunnen we niet blijven, we moeten naar de krappe ruimte binnen. De Lutherse bisschop Yunan spreekt daar over een mogelijke gezamenlijke toekomst van Israëli’s en Palestijnen: “Ik ben niet optimistisch. Maar als Christenen kunnen we de hoop nooit opgeven!”

    Jesaja 2:2-4/ Micha 4

    En het zal geschieden in het laatste van de dagen… geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.’

    Een woord dat “aanschouwd” wordt door de profeet Jesaja: de geschiedenis zal voltooid worden als de Sionsberg tot middelpunt van de aarde wordt. Iedereen wil er wel heen klimmen. De wereld van de volkeren ziet deze stad op de berg als een plaats waar onderwezen wordt hoe je met elkaar kunt leven. Het is als een nieuwe schepping door de Ene, naast wie de goden verbleken en de Chaos wegvalt. De Ene zal zelf geschillen beslechten en recht brengen tussen de volkeren en gemeenschappen. Het voeren van oorlog wordt daarmee ondenkbaar. Zwaarden en speren worden gerecycled tot landbouwwerktuigen. De profeet Micha voegt nog meer toe: “Iedereen zal zitten onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom – en niemand die hen opschrikt!”

    Mattheüs 24, en dan wel in z’n geheel

    Een beschrijving, door zijn volgelingen opgetekend uit de mond van Jezus, over het einde van de tijd waarin grote rampen zullen geschieden: “De gruwel der verwoesting.” Als dat voorbij is, dan zal de Mensenzoon komen op de wolken. Iets om een keer door te lezen en na te denken over natuurrampen, en over onheil dat we zelf met onze oorlogen, kernbommen en verwoesting van de schepping aangericht hebben: dit komt tegenwoordig niet meer zomaar over ons. Behalve bij een overstroming, een vulkaanuitbarsting of een tsunami. Het roept voor mij te veel vragen op, ook over de redding van de uitverkorenen. Valt dit samen met de Apocalyps, het boek van de Openbaringen, te lezen als een oordeel van Godswege - of is het een samenvatting van wat natuur en mens kunnen aanrichten? Het roept de vraag op naar Gods “goede schepping,” die ook rampen voortbrengt. Tenslotte herken ik er toekomstverwachtingen en praktijken van de Dopers in Münster in, en van de huidige Daesh in het Midden-Oosten – en van de represailles tegen hen. Te hoog gegrepen misschien om hier een zinvolle preek over te houden?

    Romeinen 13:8-14

    Deze keer wordt het gedeelte over het gezag, dat gehoorzaamheid en tol eist, overgeslagen. En dan zien we pas wat een juweeltje Romeinen 13 is: “Blijf aan niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben!” Het gaat helemaal niet om de overheid zelf: daaraan moet je je vrijwillig onderschikken, want zij staat als een soort “liturg” (Naardense Bijbel) in dienst van God.

    Het gaat er om dat je niemand iets schuldig blijft dan elkaar lief te hebben: daarmee vervul je de wet. Dat zou nog weleens moeilijker kunnen zijn dan je de politie van het lijf houden en je belasting op tijd te voldoen, denk ik daar dan bij. Alle fatsoensnormen staan hier onder het teken van “je naaste liefhebben als jezelf.” Liefhebben vervult de Wet. En wij maar denken: “Houd je aan de regels, dan kun je in je vrije tijd liefhebben of liefde bedrijven.” Over dat laatste heeft Paulus trouwens ook het één en ander te zeggen:” Houd je bij je eigen partner” – zo zouden wij dat vertalen. Hij heeft het dan ook nog over moorden, stelen, willen hebben wat de ander heeft. Dat laatste is mogelijk erger dan wij denken. En wijd verbreid is het zeker: drijft onze economie er misschien op? In slaap sukkelen terwijl het heil dichtbij is en de dag nadert, dat is niet de bedoeling: word wakker en wandel in goede vorm, met het licht als wapenrusting! De rest, over de beest uithangen en ruzie maken, dat overdenkt u maar zelf. Het slotakkoord: Bekleed je met de Heer Jezus Christus – dat stelt al je begeerten in de schaduw!

    Janna F. Postma

    20 november 2016

    Laatste zondag Kerkelijk Jaar 20 november 2016

    Enige gedachten bij: Maleachi3,19-24, Openb. 3,7b-12, Ps. 46, Lucas 21,5-19. voor zondag 20 november 2016, 10de van de herfst, Kerk en Vrede.

    De laatste zondag van het kerkelijk jaar. Joden en Christendom hebben geen cyclische denkwijzen. Zij herinneren zich in het heden, de belofte van het verleden, op een betere toekomst. De komst van de Messias of de Wederkomst. Voor een rechtvaardige toekomst hebben mensen zelf verantwoordelijkheid. (Vandaar de tweede afbeelding)

    Inleiding

    Op de laatste zondag van het kerkelijk jaar wordt de belofte van de Wederkomst centraal gesteld. Op deze derde zondag van de voleinding worden in veel protestantse kerken de overledenen van het afgelopen jaar herdacht. In de katholieke kerk wordt het hoogfeest van Christus Koning gevierd. De titel "koning" wordt in het Nieuwe Testament meermaals in verband gebracht met Jezus. De term Christus Koning verwijst naar één van de drie Messiaanse functies van Jezus: Koning, Priester en Profeet. Op het kruis hing boven het hoofd van Jezus het opschrift INRI, "Jezus van Nazareth, koning der Joden". Bij zijn geboorte vroegen de drie koningen ook naar koning der Joden. Ook op andere plaatsen wordt deze term vermeld. Dit vanuit de verwachting dat Pasen niet het laatste is.

    In de Tenach wordt beschreven dat er eens een dag zal zijn, dat er scheiding zal komen tussen hen die God gehoorzamen en dat niet doen. Voordat deze dag van de Heer aanbreekt, zal eerst Elia terugkomen (mal.3) om verzoening tot stand trachten te brengen. Jaren later zullen de volgelingen van Jezus deze belofte als voltooid zien in de komst van Jezus. De verwachting op een snelle wederkomst van Jezus, blijkt niet bewaarheid. De tijden zijn ellendig: oorlog, geweld en vervolgingen. In zulke tijden worden, niet alleen in jodendom en christendom, oude apocalyptieke verlossingsverhalen opnieuw, in een eigen context, verteld. In het nieuwe testament wordt het beeld van verschijning op de wolken hernomen. Zolang dit niet plaatsvindt houden zijn navolgers, zijn herinnering levend. Daarom begint volgende week de adventstijd.

    Van bovenstaande zou afgeleid kunnen worden, dat christenen cyclisch denken. Dat is niet het geval. Bij zowel joden als christenen speelt in het heden de belofte, vanuit het verleden, op een betere toekomst, een toekomstige nieuwe, rechtvaardige, wereld. Dat gaat niet vanzelf. Er is geen betere toekomst zonder eigen verantwoordelijkheid. Ieder schepsel als beeld van God heeft haar/zijn eigen verantwoordelijkheid om mee te werken aan verandering, zodat alle mensen tot hun recht komen. De joden hebben daarvoor de Tora als richtlijn. De christen de samenvatting daarvan in de 10 woorden, zoals Jezus deze heeft voorgeleefd. Beide verwachten een vredige nieuwe wereld. De joden zien uit naar de komst van de beloofde Messias. Christen zien Jezus als de beloofde Messias en zien uit naar zijn wederkomst. In eigen context terug grijpen op verhalen uit het verleden met betrekking tot de toekomst daarvan getuigen de lezingen.

    Maleachi 3,19-24. De laatste teksten van de 12 kleine profeten in het eerste testament Mal 3.19-24 NBV /4.1-6 StV sluit af met een toekomst perspectief voor hen die ontzag zijn blijven houden in de NAAM. De zon der gerechtigheid zal over hen opgaan. Huppelend als kalveren, die op stal hebben gestaan, zullen de gelovige naar buiten komen. (vandaar de afbeelding!) Daarna volgt een perspectief op een wraak tegen de ongelovigen. Jullie zullen de wettelozen vertrappen, zegt de Heer van de hemelse machten. Er wordt ook aangedrongen de wetten van Mozes te houden. De vraag kan gesteld worden: Hoe kunnen mensen, die de wetten van Mozes houden, met hun geweten overeen komen om de wetteloze te vertrappen. Dat staat dwars op gij zult niet moorden. In het nieuwe testament wordt deze scheiding over gelaten aan degene die op de troon zit. (openb.).

    Lucas

    In Lucas 20 en 21 worden de leerlingen vlak voor het laatste Pesach maal met Jezus, nog eens geconfronteerd met de werkelijkheid: – een dispuut met de Sadduceeën, die niet geloven in de opstanding van de doden. – Farizeeën die rondgaan in prachtige gewaden, maar de huizen van de weduwen opeten. Jezus, waarschuwt nogmaals voor misleiding door mensen die zeggen: ‘ik ben het’ of 'de tijd is gekomen'. Volg hen niet. En dan de weduwe, die haar laatste leeftocht in het offerblok doet. De leerlingen worden tot op het laatst toegerust om te zien wat er zich voordoet in hun omgeving, en hun verantwoordelijkheid in de toekomst. Ook in onmacht situaties.

    Naar aanleiding van de pracht van de tempel, die vernietigd zal worden, stellen de leerlingen Jezus de vraag. Wanneer dit zal gebeuren.

    In 21.5-19 legt Lucas Jezus de situatie in de mond, zoals de volgelingen van Jezus dat ervaren hebben, die het voorspel en de val van Jeruzalem in 70 hebben meegemaakt. Voorspellingen in de trant van Maleachi 3, worden herhaald:

    Gezinnen zullen uit elkaar gaan, omdat de één Jezus na wil volgen en de ander niet. Men zal zijn leer haten. Zij zullen vervolgd en gevangen genomen worden en uitgeleverd aan de synagoge. – Saulus c.s. en hun vervolgingen waren zeer heftig -. Dan volgt er een ondersteuning. Deze lijkt een beetje op God, die een burcht is voor de zijne (Ps.46). Als jullie voorgeleid worden of gevangen gezet bereid dan je verdediging niet voor, ik zal jullie wijsheid geven en de woorden in jullie mond leggen. Geen haar zal jullie gekrenkt worden. Zo worden de leerlingen geïnstrueerd wat zij wel en niet zouden moeten doen in onmacht situaties. Jezus' advies is: Red je leven door standvastigheid. Standvastigheid betekent niet alleen: geloof in mij en God. Maar ook wees standvastig in jullie daden, zoals ik jullie dat heb voorgeleefd en onderwezen. Lucas beschrijft in 21.27 dat de leerlingen de Mensenzoon op een wolk zullen zien komen en dat dan de verlossing nabij is. Hij grijpt ook hier terug op overgeleverde teksten in de Tenach.

    Ongeveer 20 jaar later worden, in de openbaring/apocalyps, visioenen van een zekere Johannes, gevangen op Patmos beschreven. Eerst krijgt hij de opdracht brieven te schrijven, aan zeven (vol getal!) gemeenten, o.a. Filadelfia (Openb/Apok 3.7-12). Filadelfia is een voorbeeld waarin de gemeente op een goede weg is. Het zijn in wezen zeven voorbeelden hoe wel en niet te leven tot de spoedige wederkomst van de mensenzoon. Dan volgen visioenen over wat er zal geschieden van uit de wolken. En schetsen van een toekomstige nieuwe hemel en nieuwe aarde. Het nieuwe Jeruzalem dat bij mijn God uit de hemel zal neerdalen.

    Apocalyptiek

    Apocalyptiek is de onthulling door visioenen van goddelijke geheimen. Veel volken kennen apocalyptische verhalen, maar openbaringen over een eindtijd zijn zeldzaam. In het jodendom beleeft de apolyptiek haar bloeiperiode in de 2e eeuw voor Christus: Henoch, 4 Ezra, de syrische Baruch – apocalyps e.a. Er zijn al teksten te vinden bij de profeten Jesaja, Ezechiel, Joël en Zacharia en Daniël. De evangelisten maken daar gebruik van.

    Teruggrijpen op apocalyptische verhalen gebeurt in verschillende tijdperken waar het economisch en politiek slecht gaat: als mensen zich achtergesteld voelen, in de vreemde verblijven, geen mogelijkheden hebben of vervolgd worden door oorlog en geweld. Dan wordt gefantaseerd over een betere toekomst. ,

    In de loop van de geschiedenis ontstonden, geïnspireerd door apocalyptiek, verschillende bewegingen die, soms als een soort sekte, zich isoleerden, om op een door hen berekende datum samen de komst van de nieuwe aarde af te wachten. Andere proberen door gebed en goede werken – zoals vroeger vele kloosters – een afspiegeling te vormen van de 'Stad Gods'. Steeds weer zijn er groeperingen die uitgaande van uit de context gelichte teksten, onder de vlag 'God met ons', hun ongenoegen omzetten in een belangenstrijd die, als gestoeld op de ware godsdienst, verkocht wordt. Ga maar na wat bijvoorbeeld op scholen geleerd werd/wordt over kruistochten, de tachtig jarige oorlog of 30 jarige oorlog. Die werden voorgespiegeld als: 'heilige oorlogen'. Terwijl het in wezen ging om economische en politieke belangen van partijen of naties. De werkelijke wortels en de oorzaken van de strijd werden voor een groot publiek meestal verzwegen.

    Om de strijd te legitimeren werden zondebokken gecreëerd. Zo voorbeeld: de uitzetting van de joden einde 15de eeuw uit Spanje en later uit Portugal, omdat de katholieke hun geld en land nodig hadden. Zij gingen als vluchtelingen naar Amerika (Columbus, maar o.a. ook naar Nederland). Terwijl mensen voordien als joden, moslims en katholieken samenleefden. Dat is nu nog te zien in de cultuur uitingen die bewaard gebleven zijn.

    Ook nu zijn er plaatsen waar, ondanks de verwoestingen en de strijd, die daar plaats vindt, mensen van verschillende religies samen leven en aan anderen onderdak bieden. Het zijn mensen die visioenen hebben voor veranderingen in hun context en trachten niet te vluchten, maar door hun daden zich geweldloos verzeten. En op deze wijze mensen stimuleren mee te werken aan verandering in hun situatie.

    Ook de IS zoekt naar verandering, en propageert bevrijding van uit het visioen dat samenleven in een kalifaat, zoals daar in de Koran over geschreven zou worden, een beter leven zal geven. Hun strijd gaat met veel geweld gepaard tegen anderen die niet hun ideologie beamen. Evenals veel andere, stammen en groepjes in verschillende landen in het Midden – Oosten, die een bevrijdingsstrijd voeren om veranderingen te bewerkstelligen. Zij willen onder de druk van het Westen uit komen. Het Westen heeft daar, al meer dan een eeuw, grote economische en politieke belangen, die mede de samenlevingen hebben bepaald. Rusland en Amerika verdedigen daar, met in hun kielzog Europese landen, steeds duidelijker hun belangen onder het mom dat ze beide IS bestrijden, bestrijden zij ook elkaar. Een strijd ver weg, maar met steeds meer tentakels in onze samenleving.

    Onmacht, of ondanks alles standvastigheid?

    Het Midden-Oosten is ver weg, Het uitwaaierende terrorisme is bedreigend. Er is een gewapende strijd met enorm veel burgerdoden. Na de stroom van vorig jaar worden nu vluchtelingen zoveel mogelijk buiten de grenzen gehouden. Vluchtelingen blijven zich verzamelen in overvolle kampen. Van afspraken daarover in Europa is ook nog niets gekomen. Populisme en nationalisme steken de kop op. Het lijkt nu al of de verkiezingsstrijd in Nederland er door bepaald zal worden. Dit geeft onmacht gevoelens. De wereld politiek en economie zijn vaak moeilijk te begrijpen. Er gebeuren in Nederland veel dingen die te maken hebben met het wereld gebeuren. Het geheel maakt angstig en vaak onmachtig. Terug trekken op eigen gebied is een reflex. Onmacht en angst gevoelens zijn legitiem.

    Gelovigen kunnen zich afvragen: Kan ik angst en onmacht onder ogen zien en benoemen? Waar ligt mijn verantwoordelijkheid? Zouden we als leden van een geloofsgemeenschap deze onmacht kunnen delen en omzetten in gebed. Of misschien een bijdrage leveren tot verandering van een bepaalde situatie? Zijn er mogelijkheden in eigen context?

    De uitdagingen in de eerste decennia van deze eeuw zijn groot, met oog op wat de toekomst voor veranderingen nog zal brengen. In het verleden was er een duidelijk verhaal. Mensen werd per zuil precies voorgehouden wat zij wel en niet konden of mochten doen. De verzuiling is doorbroken. Het lijkt er nu op of mensen alleen als individuen leven met parallelle interesses. Een vraag doet zich daardoor voor: hoe kunnen mensen samenleven zonder een eenduidig verhaal.

    In de Lucas tekst als in de brief aan de gemeente van Filadelfia staan bemoedigende woorden. Mensen die dit weekend deze teksten horen, beluisteren deze in verschillende geloofsgemeenschappen. Bij velen is misschien nog de ervaring hoe de zuilen doorbroken zijn en langzamerhand er een oecumene op gang kwam. Mensen van verschillende nominaties leerden elkaar kennen en vooroordelen werden doorbroken. Samenwerkingen kwamen tot stand. Deze ervaringen kunnen misschien helpen om in eigen context mogelijkheden te bezien of en hoe er ontmoetingen tot stand kunnen komen, tussen verschillende culturele en religieuze groeperingen, waarin geluisterd wordt naar elkaar. Vandaaruit is het misschien ook mogelijk enkele knelpunten te signaleren en samen te bezien hoe deze aan te pakken, met het oog op veranderingen of verbeteringen. Veranderingen komen niet uit de lucht komen vallen. Ze gebeuren alleen ten goede of ten kwade via de inzet van mensen die mensenrechten al of niet respecteren. Het is een uitdaging vanuit standvastigheid zich, ook in tijden van angst, onmacht en beproeving, gedragen te weten door Jacob's God (Ps 46), en van daaruit te mogen handelen.

    Héleen Broekema (TWG) 

    Stem als een zee

    Stem als een zee van mensen

    om mij door mij heen.

    Stem die van een drenkeling,

    van dat stuk wrakhout,

    dat een mens blijkt

    als hij mij aankijkt.

     

    Stem die mij roept: wie ben je,

    mens waar is je broer/zuster (hb)?

    Stem die mijn vliezen breekt

    en mij bevrijdt, die

    vuur uit steen slaat,

    jij die mij ik maakt.

     

    Stem die geen naam heeft, nog niet,

    mensen zonder stem.

    Stem als een specht die klopt

    aan mijn gehoorbeen.

    Woord dat aanhoudt.

    God die mij vasthoudt.

    Huub Oosterhuis.

     

     

     

     

     

     

     

    6 november 2016

    8e zondag van de herfst 6 nov 2016

    Preekschets voor zondag 6 november 2016, 

    Jesaja 1,18-26 2Tessalonicenzen 2,13-3,5 Lucas 19,41-48

    1 Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij heeft gezien over Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Jechizkia, koningen van Juda, zo vangt het eerste hoofdstuk van Jesaja aan. De eerste deel van dit boek grijpt daarmee terug op de achtste eeuw vóór Christus, de tijd van de eerste (Assyrische) ballingschap: in 722 valt het Noordrijk in handen van de Assyrische koningen. De Godsspraak richt zich tot de hemelen en de aarde (v2) en spreekt zich uit over afvalligheid: JHWH weent over Jeruzalem. Na de aanklachten in de verzen 1 vv spoort JHWH vanaf het 16e vers de afvalligen aan: je kunt er iets aan doen door rechtvaardig te handelen. Hier wordt de tegenstelling geschetst tussen enerzijds Jeruzalem zoals het reilt en zeilt en anderzijds Sion, oftewel Jeruzalem zoals het zou moeten zijn. De tekst voor deze zondag, de verzen 18-26 behelst een oproep tot (cultische) reiniging en vernieuwing. Daarmee is de toon gezet voor Lk 19,41-48. Reiniging en herstel, als voorwaarde voor vernieuwing.

    In Lk 19:41 weent Jezus over Jeruzalem, over wat er in Zijn ogen van over is. De tempelcultus is een belangrijke economische factor geworden in de stad. De handel in offerdieren bloeit. 42 En (Jezus) zeide: Och, of gij ook op deze dag verstond wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. (NBG’51) Willibrord geeft: Zag u op deze dag maar de weg naar de vrede; maar die is verborgen voor uw ogen. Jeruzalem zou een stad van de vrede moeten zijn maar is het niet. De Naardens Bijbel vertaalt hier: en (Jezus) zegt: áls je maar herkent op deze dag, ja jíj!, wat tot vrede is!- nú wordt dat nog verborgen voor je ogen:

    Met de verzen hierna kunnen we een paar kanten uit: we kunnen er strikt Schriftuurlijk tegenaan kijken.

    43 Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen 44 En u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.

    Waar het Lukasevangelie zijn vorm gekregen zou hebben aan het einde van de eerste eeuw na Christus, daar moeten we bedenken dat dit zou zijn ontstaan na de val van de tempel (70 AD). Het geschrift is dus ontstaan met de kennis van de afloop. Dat neemt niet weg dat de nadruk ligt op vernieuwing:

    45 En Hij ging de tempel binnen en begon de kooplieden uit te drijven,

    46 En Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: En mijn huis zal een bedehuis zijn, maar gij hebt het tot een rovershol gemaakt.

    47 a)En Hij leerde dagelijks in de tempel.

    De tempel krijgt, na de “reiniging” weer een waardige functie: die van leerhuis. Corruptie is echter wraakzuchtig: b)De overpriesters en schriftgeleerden, evenals de voornaamsten van het volk, zochten gelegenheid Hem om te brengen

    In deze fase van het kerkelijk jaar ligt een verwijzing naar de tijd van de voleinding en naar de komst van het Licht voor de hand. We kunnen ook een vertaalslag maken naar de wereld van alledag: die van de klokkenluider die misstanden aankaart en wie vervolgens het leven onmogelijk gemaakt wordt, of zijn carrière gebroken. Een historische verwijzing is – zeker nu – ook mogelijk: ook de reformatoren in de 16e eeuw zullen zich ‘tempelreinigers’ hebben gevoeld.

    Vrede en winstbejag sluiten elkaar kennelijk uit: daar waar alles wordt afgemeten aan de maat van het geld en het rendementsbeginsel, daar waar geldelijke winst en dito verlies de norm worden, daar waar aldus ontstane grote inkomensverschillen tot scheve verhoudingen leiden, daar is de vrede ver te zoeken.

    Eerst zal iets moeten worden afgebroken, rechtgezet en beëindigd, pas dan kan alles nieuw worden.

    Aanwijzingen voor de overweging:

    Afvalligheid en verwatering zijn kennelijk van alle tijden, net als corruptieschandalen en uitbuiting van mensen en middelen. Aan de ene kant kunnen we daar moedeloos van worden, aan de andere kant zit er ook iets troostrijks in de woorden uit Jesaja: er is ruimte voor nieuwe kansen. De Lukastekst sluit daar op aan. De laatste gewaagt ook van de dubbelheid in ons, mensen. Aan de ene kant weten we heel goed waar we voor zouden moeten staan, aan de andere kant willen we ook maar al te graag zichtbaar profijt van onze inspanningen zien. Aan de ene kant willen we ons stellen in dienst van Hem die ons allen voorging, aan de andere kant: de schoorsteen moet ook roken. De oproep tot standvastigheid die we in 2 Tess 2: 13 – 3-5 vinden is daarom niet onterecht. Een beetje relativeringsvermogen bij de ‘landing’ lijkt me in een overweging op deze teksten ook wel op zijn plaats: elke menselijke inspanning, hoe idealistisch ook gesteld in dienst van de medemens en van een hoger doel, kan verworden tot een machtsbolwerk waarbinnen spelletjes worden gespeeld en winstoogmerk de overhand krijgt. Elk vuur, hoe heilig ook, kan verworden tot een uitslaande brand.

    Liedsuggesties: Ps 17, ps 122, ps 138, Ldb 912, 836, LvK 478, 436.